Verzoeker, werkzaam bij de politie en tevens tolk, is door verweerder uit de tolkendatabase verwijderd. Hij verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om weer in de database te worden opgenomen, stellende dat hij door het besluit financieel ernstig wordt benadeeld en imagoschade lijdt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker onvoldoende stukken heeft overgelegd om het spoedeisend belang te onderbouwen, ondanks een expliciet verzoek daartoe. De gestelde omzetdaling van 95% werd niet met financiële documenten bevestigd, en ook de imagoschade werd niet concreet aangetoond.
Daarnaast werd overwogen dat het primaire besluit niet evident onrechtmatig is en dat het ontbreken van spoedeisend belang het toekennen van een voorlopige voorziening niet rechtvaardigt. Het verzoek werd daarom afgewezen zonder proceskostenveroordeling.