ECLI:NL:RBMNE:2020:3446

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 augustus 2020
Publicatiedatum
25 augustus 2020
Zaaknummer
505485 / HA RK 20-195
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 AwbArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens tijdsverloop en voortzetting bestuursrechtelijke procedure

Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter in een bestuursrechtelijke zaak, stellende dat de rechter vooringenomen en partijdig was vanwege een brief waarin werd aangegeven dat geen zitting nodig was, gevolgd door een brief waarin toch een zitting werd aangekondigd.

De wrakingskamer behandelde het verzoek openbaar, waarbij verzoeker niet verscheen. De kamer constateerde dat het wrakingsverzoek pas vier weken na de brief werd ingediend, zonder toelichting op deze vertraging.

Op grond van artikel 8:16, eerste lid, van de Awb oordeelde de wrakingskamer dat het verzoek niet tijdig was en verklaarde het verzoek niet-ontvankelijk. De procedure wordt voortgezet zoals die was op het moment van schorsing wegens het wrakingsverzoek.

Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdig indienen en de bestuursrechtelijke procedure wordt voortgezet.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

WRAKINGSKAMER
Locatie Utrecht
Zaaknummer/rekestnummer: 505485 / HA RK 20-195
Beslissing van de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken van
25 augustus 2020
op het verzoek in de zin van artikel 8:15 van Pro het Algemene wet bestuursrecht (verder: Awb) van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
(verder te noemen: verzoeker).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • een brief van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling bestuursrecht van 15 juni 2020, waarin verzoeker wordt medegedeeld dat er geen zitting in zijn zaak zal plaatsvinden nu de rechtbank over voldoende informatie beschikt om uitspraak te doen. Verzoeker kan binnen een week op deze brief reageren als hij toch een zitting wenst;
  • een brief van de rechtbank Midden-Nederland, afdeling bestuursrecht van 22 juni 2020, waarin verzoeker wordt medegedeeld dat er in zijn zaak toch een zitting zal plaatsvinden;
  • het verzoek tot wraking van verzoeker van 21 juli 2020;
  • de schriftelijke reactie van mr. A. Bouteibi (hierna: de rechter) van 6 augustus 2020.
1.2.
Het wrakingsverzoek is op 11 augustus 2020 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (verder: de wrakingskamer).
1.3.
Bij de mondelinge behandeling is niemand verschenen. De wrakingskamer heeft geconstateerd dat verzoeker en de rechter op de juiste wijze zijn opgeroepen voor de zitting van heden.

2.Het wrakingsverzoek en het verweer

2.1.
Het verzoek tot wraking is gericht tegen de rechter in de zaak met het kenmerk UTR 20 / 66 AOW V152.
2.2.
Door verzoeker is aan het verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat vooringenomenheid en daarmee partijdigheid van de rechter blijkt uit de brief van de rechtbank Midden-Nederland dat een zitting niet nodig is op basis van het gedane vooronderzoek. Te meer nu er een week later een nadere brief bij verzoeker is bezorgd, waarin werd aangekondigd dat er wel een zitting wordt gelast.
2.3.
De rechter heeft niet berust in de wraking. In zijn schriftelijke reactie heeft hij naar voren gebracht dat de brief van 15 juni 2020 slechts een op grond van artikel 8:57, eerste lid van de Awb gebaseerd verzoek is om aan te geven of verzoeker al dan niet gebruik wenst te maken van zijn recht om te worden gehoord. Daaruit valt geen vooringenomenheid van de rechter af te leiden.

3.De beoordeling

3.1.
Artikel 8:16, eerste lid van de Awb bepaalt dat een verzoek tot wraking wordt gedaan zodra de feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan verzoeker bekend zijn geworden.
3.2.
De wrakingskamer constateert dat verzoeker ongeveer vier weken nadat de brief van 15 juni 2020 hem had bereikt een verzoek tot wraking van de rechter heeft ingediend. Verzoeker heeft in zijn verzoek niet uitgelegd waarom hij dit pas vier weken na genoemde brief, die voor hem aanleiding was om de rechter te wraken, heeft gedaan. Evenmin is hij ter zitting verschenen om dit toe te kunnen lichten. De wrakingskamer vindt daarom dat het wrakingsverzoek niet voldoet aan de eis van tijdigheid die in artikel 8:16, eerste lid van de Awb staat verwoord. De wrakingskamer zal verzoeker dan ook niet-ontvankelijk verklaren in zijn verzoek.

4.De beslissing

De wrakingskamer:
4.1.
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek tot wraking;
4.2.
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van het team bestuursrecht, waarin de rechter werkzaam is en de president van deze rechtbank;
4.3.
bepaalt dat de zaak van verzoeker met het kenmerk UTR 20 / 66 AOW V152 dient te worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond op het moment van de schorsing vanwege het wrakingsverzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. C.A. de Beaufort, voorzitter, mr. A. van Dijk en
mr. R.C. Stijnen als leden van de wrakingskamer, bijgestaan door mr. N. Kruijswijk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2020.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.