ECLI:NL:RBMNE:2020:3314
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking remigratie-uitkering
Verzoekster, afkomstig uit Armenië en sinds 1999 in Nederland, kreeg in 2013 een remigratie-uitkering toegekend die in 2014 werd ingetrokken vanwege het niet tijdig vertrekken naar Armenië. In 2019 vroeg zij opnieuw een uitkering aan, die werd toegekend met een vertrektermijn tot 25 januari 2020. Verzoekster vroeg uitstel vanwege een operatie en vertrok tijdelijk naar Armenië, maar keerde in mei 2020 terug en vroeg opnieuw uitstel. Verweerder reageerde niet op de uitstelverzoeken en trok de uitkering in juli 2020 in omdat verzoekster niet meer tot de doelgroep van de Remigratiewet behoort.
Verzoekster stelde dat zij op het recht op uitkering mocht vertrouwen en dat de intrekking ernstige gevolgen had, waaronder het opzeggen van haar huurwoning. De voorzieningenrechter oordeelde dat verweerder niet zorgvuldig handelde door niet te reageren op uitstelverzoeken en geen schadecompensatie te onderzoeken, maar dat verzoekster zelf een groot risico nam door haar woning op te zeggen zonder zekerheid over de uitkering.
Omdat verzoekster niet kon aantonen dat verweerder verantwoordelijk was voor haar situatie en het recht op uitkering volgens de wet was vervallen, werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de remigratie-uitkering wordt afgewezen.