Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 13 augustus 2020 in de zaak tussen
[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank, verweerder
Procesverloop
- over de maand september 2019 een nabetaling van € 555,55 netto;
- vanaf de maand oktober 2019 € 646,94 netto per maand; en
- in de maand januari 2021 € 134,41 netto
Overwegingen
De OBR biedt geen grondslag om de hoogte van overbruggingsuitkering op de door eiseres voorgestane wijze vast te stellen.
Dat eiseres de mogelijkheid had om de hoogte van haar levensloopuitkering te verhogen zodat zij in de zesde kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt een hogere levensloopuitkering zou hebben ontvangen, kan niet tot een ander oordeel leiden, omdat gezien de OBR de feitelijke inkomenssituatie zoals die was in de zesde kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin eiseres de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt, van belang is. Feit is en blijft dat eiseres in haar eigen financiële situatie geen aanleiding heeft gezien om de hoogte van de levensloopuitkering bijvoorbeeld met ingang van 1 maart 2019 te verhogen zodat zij in de zesde kalendermaand voorafgaand aan de maand waarin zij de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt een hogere levensloopuitkering zou hebben ontvangen.