ECLI:NL:RBMNE:2020:3190
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde hoekwoning in Utrecht voor belastingjaar 2019
In deze bestuursrechtelijke zaak staat de vaststelling van de WOZ-waarde van een hoekwoning in Utrecht centraal. Verweerder heeft de waarde voor het belastingjaar 2019 vastgesteld op €832.000,-, later bij bezwaar verlaagd naar €812.000,-. Eiser betwist deze waarde en stelt een lagere waarde van €778.000,- voor.
De rechtbank beoordeelt of verweerder de waarde te hoog heeft vastgesteld. Verweerder heeft een taxatiematrix overgelegd met drie vergelijkingsobjecten die rond de waardepeildatum zijn verkocht. De rechtbank oordeelt dat deze vergelijkingsobjecten voldoende vergelijkbaar zijn en dat er op juiste wijze rekening is gehouden met verschillen in inhoud, perceeloppervlakte en staat van onderhoud. Verweerder mocht de hoogste verkoopprijzen gebruiken en heeft de waardeontwikkeling correct verwerkt.
Eiser voert aan dat de waardestijging van 14% ten opzichte van het voorgaande jaar te hoog is en dat de waardestijging bij vergelijkbare woningen gemiddeld 7% bedraagt. De rechtbank wijst dit af omdat de wetgever bepaalt dat de waarde jaarlijks opnieuw moet worden vastgesteld op basis van actuele verkoopcijfers, waardoor verschillen kunnen optreden.
Daarnaast kan het beroep niet zien op correcties van eerdere jaren, omdat het alleen gaat om de waarde op 1 januari 2018. De rechtbank volgt ook het standpunt van verweerder dat een extra controle bij grote waardestijgingen geen twijfel oproept over de juistheid van de taxatie.
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de vastgestelde WOZ-waarde van €812.000,-.
Uitkomst: De rechtbank bevestigt de WOZ-waarde van €812.000,- en verklaart het beroep ongegrond.