ECLI:NL:RBMNE:2020:3024

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 juli 2020
Publicatiedatum
30 juli 2020
Zaaknummer
AWB - 20 _ 1740
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbParticipatiewet
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond op terugvordering bijzondere bijstand voor inrichtingskosten zonder bonnen

Eiser ontving bijzondere bijstand voor inrichtingskosten van € 2.500,-. Verweerder trok een deel van deze bijstand terug (€ 1.241,99) omdat eiser niet alle kosten met bonnen kon aantonen.

Eiser voerde aan dat het forfaitaire bedrag zonder bonnen moest worden toegekend en dat hij de bonnen niet kon overleggen door late ontvangst van het toekenningsbesluit. De rechtbank oordeelde dat eiser tijdig op de hoogte was gesteld van de verplichting tot het inleveren van bonnen en dat het risico van late ontvangst voor zijn rekening komt.

De rechtbank bevestigde dat het beleid van verweerder buitenwettelijk begunstigend is, maar dat dit beleid consistent is toegepast. Omdat eiser niet met bonnen het volledige bedrag kon verantwoorden, was de terugvordering terecht.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door rechter M. Ramsaroep op 29 juli 2020 en kan binnen zes weken worden aangevochten bij de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de terugvordering van bijzondere bijstand wegens ontbreken van bonnen wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1740

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 juli 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. D.D. Pietersz),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: E.H. Siemeling).

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder, voor zover thans nog van belang, een deel van de bijzondere bijstand die was verstrekt voor inrichtingskosten ingetrokken en teruggevorderd. De terugvordering bedraagt € 1.329,99.
Bij besluit van 15 april 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder, voor zover thans nog van belang, het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard. Het terugvorderingsbedrag heeft verweerder vastgesteld op een bedrag van € 1.241,99.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Op 29 juni 2020 heeft eiser bericht dat hij niet over de technische mogelijkheden beschikt om een Skype-zitting bij te wonen. Eiser verzoekt om een fysieke zitting dan wel om partijen toestemming te vragen om de zaak schriftelijk af te doen.
Met toestemming van partijen heeft de rechtbank op grond van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Vervolgens is het onderzoek op 22 juli 2020 gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.
Op 22 augustus 2019 is eiser verhuisd vanuit een instelling naar een woning in [woonplaats] .
Met ingang van 22 augustus 2019 ontvangt eiser bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) naar de norm voor een alleenstaande met aantoonbare woonlasten.
Bij besluit van 20 augustus 2019 (toekenningsbesluit) is aan eiser een bedrag van € 2.500,- vertrekt aan bijzondere bijstand voor inrichtingskosten.
2. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit, voor zover van belang, op het standpunt gesteld dat een deel van het aan bijzondere bijstand verstrekte bedrag, te weten een bedrag van
€ 1.241,99, niet met (acceptabele) nota’s is verantwoord en daarom wordt teruggevorderd.
3. Eiser voert in beroep in de eerste plaats aan dat, nu hem op grond van het buitenwettelijk begunstigend beleid een forfaitair bedrag aan bijzondere bijstand voor de kosten van woninginrichting is verstrekt, hieraan niet de voorwaarde mag worden verbonden dat de kosten moeten worden aangetoond met bonnen. Door eiser een forfaitair bedrag toe te kennen, wordt verondersteld dat hij dit bedrag heeft uitgegeven.
Eiser voert in beroep voorts aan dat hij veel meer heeft uitgegeven dan hij achteraf met bonnetjes inzichtelijk heeft kunnen maken. De reden dat hij niet alle bonnen heeft bewaard, is gelegen in het feit dat hij het toekenningsbesluit pas veel later heeft ontvangen, namelijk door tussenkomst van de Stichting Tussenvoorziening. Dat hij niet met bonnetjes alle kosten inzichtelijk heeft gemaakt, kan eiser daarom in redelijkheid niet worden tegengeworpen.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser er bij het toekenningsbeluit op is gewezen dat hij voor 1 oktober 2019 bonnen moest inleveren van de artikelen die hij heeft gekocht. Dit besluit is naar het juiste postadres van eiser verzonden. Eiser was dus tijdig op de hoogte of had redelijkerwijs tijdig ervan op de hoogte te kunnen zijn dat hij alle aankoopbonnen moest bewaren. Dat eiser het toekenningsbesluit door toedoen van de Stichting Tussenvoorziening later heeft ontvangen, komt voor zijn rekening en risico.
Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond dat eiser niet kan worden tegengeworpen dat hij niet alle aanschafbonnen heeft bewaard en dus ook niet heeft overgelegd, niet slaagt.
5. Het beleid van verweerder om bijzondere bijstand toe te kennen voor woninginrichting betreft buitenwettelijk begunstigend beleid. Dit betekent volgens vaste rechtspraak dat de aanwezigheid en de toepassing van dit beleid als gegeven wordt beschouwd, met dien verstande dat wordt getoetst of het beleid op een consistente wijze wordt toegepast. [1]
6. In het beleid staat opgenomen dat bonnen en/of kwitanties van aangeschafte woninginrichting achteraf via een steekproefcontrole kunnen dienen als bewijsstukken. Verweerder heeft in het toekenningsbesluit ook duidelijk opgenomen dat eiser de bonnen van artikelen voor 1 oktober 2019 moest inleveren. Gelet op het voorgaande en de bestreden besluitvorming is de rechtbank van oordeel dat verweerder het beleid consistent heeft toegepast. Omdat eiser niet met bonnen heeft aangetoond dat hij het gehele bedrag van € 2.500,- heeft gebruikt om zijn woning in te richten, was verweerder bevoegd om het niet verantwoorde deel van € 2.500,- terug te vorderen. Dat op grond van het buitenwettelijk begunstigend beleid forfaitaire bedragen voor woninginrichting kunnen worden toegekend, doet hieraan niet af. Uit het voorgaande volgt dat de beroepsgrond dat aan de verstrekking van bijzondere bijstand niet de voorwaarde mag worden verbonden dat de kosten moeten worden aangetoond met bonnen, niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden.
7. Op grond van het voorgaand is de rechtbank van oordeel dat het beroep ongegrond is.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 29 juli 2020 door mr. M. Ramsaroep, rechter, in aanwezigheid van mr. M. van Ettikhoven, griffier.
Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 17 juli 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX1735).