ECLI:NL:RBMNE:2020:2912
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling WOZ-waarde woning en proceskostenveroordeling in samenhangende zaken
In deze bestuursrechtelijke zaak betwist eiser de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2019, vastgesteld op €371.000. Verweerder stelde in beroep een lagere waarde van €349.000 voor, maar onderbouwde dit niet met een taxatierapport. Eiser stelde een waarde van €339.000 voor, maar ook deze werd niet aannemelijk gemaakt.
De rechtbank oordeelt dat noch verweerder, noch eiser voldoende bewijs heeft geleverd om hun voorgestelde waarden te onderbouwen. De rechtbank stelt daarom de WOZ-waarde schattenderwijs vast op €345.000. Tevens laat de rechtbank nadere stukken van eiser die vlak voor de zitting werden ingediend buiten beschouwing vanwege schending van de goede procesorde.
De rechtbank beoordeelt de drie samenhangende zaken gezamenlijk en veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser, vastgesteld op €524 per zaak, en draagt verweerder op het betaalde griffierecht van €47 te vergoeden. De uitspraak op bezwaar wordt vernietigd en de aanslag onroerendezaakbelasting en watersysteemheffing worden dienovereenkomstig verminderd.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, de WOZ-waarde wordt vastgesteld op €345.000 en verweerder wordt veroordeeld in proceskosten en griffierecht.