Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het onderzoek ter terechtzitting
2.Tenlastelegging
3.Voorvragen
4.Vrijspraak
oogmerkvan wederrechtelijke toe-eigening van geld of goederen.
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 16 juli 2020 de zaak tegen verdachte die werd verdacht van diefstal en poging tot diefstal middels de zogenoemde bloedprik babbeltruc. De feiten betreffen twee incidenten in oktober 2019 waarbij ouderen werden bezocht door personen die zich voordeden als medewerkers van een bloedafnameorganisatie.
Bij het eerste feit wordt verdachte ervan verdacht samen met een ander €360,- te hebben gestolen van een 88-jarige aangever in Utrecht. Bij het tweede feit wordt hem samen met een ander poging tot diefstal ten laste gelegd in Ouderkerk aan de Amstel, waarbij zij zich voordeden als medewerkers van Atal en een vingerprik gaven aan een 89-jarige aangever.
De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte daadwerkelijk de man was die bij de aangevers aanwezig was en dat er een oogmerk tot wederrechtelijke toe-eigening bestond. Telecomgegevens konden niet overtuigend aan verdachte worden toegeschreven en het schakelbewijs faalde omdat feit 2 niet bewezen kon worden. Daarom sprak de rechtbank verdachte vrij van beide feiten.
De benadeelde partij, zoon van een overleden aangever, werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding omdat verdachte werd vrijgesproken. De rechtbank bepaalde dat partijen hun eigen kosten dragen. Het vonnis werd gewezen door de meervoudige strafkamer met drie rechters, waarbij de jongste rechter het vonnis niet medeondertekende.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van diefstal en poging tot diefstal wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.