Uitspraak
Bestuursrecht
Rechtbank Midden-Nederland
Eiseres, werkzaam als verzorgende en pedagogisch medewerker, ontving sinds haar ziekmelding op 9 september 2017 een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 20 december 2018 na een Eerstejaars Ziektewetbeoordeling, waarin werd vastgesteld dat zij meer dan 65% arbeidsgeschikt was. Na bezwaar en beroep stelde de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanvankelijk onjuist de datum in geding vast op 20 december 2018 in plaats van 11 mei 2019, wat leidde tot vernietiging van de beslissing op bezwaar wegens onvoldoende motivering.
Na aanvullende motivering concludeerde de verzekeringsarts dat de beperkingen van eiseres per 11 mei 2019 juist waren vastgesteld, ondanks haar psychische klachten en EMDR-behandelingen. De rechtbank volgde dit oordeel en oordeelde dat eiseres niet aannemelijk had gemaakt dat zij meer beperkt was dan vastgesteld. Ook de arbeidskundige beoordeling van de functies die eiseres zou kunnen uitvoeren werd door de rechtbank aanvaard.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde de beslissing op bezwaar, maar handhaafde de rechtsgevolgen daarvan, waardoor de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 11 mei 2019 rechtmatig bleef. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht en proceskosten van eiseres.
Uitkomst: De beslissing op bezwaar wordt vernietigd wegens onvoldoende motivering, maar de beëindiging van de Ziektewetuitkering per 11 mei 2019 blijft rechtmatig.