Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 juli 2020 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder
Procesverloop
Overwegingen
18 [1] geen pintransacties zichtbaar waren, die niet afdoende verklaard konden worden. Er is bij ons weinig informatie voorhanden op grond waarvan wij uw recht op bijstand kunnen vaststellen.’ is dat voor verweerder onduidelijk is gebleven waarvan eiser heeft geleefd en dus of hij in bijstand behoevende omstandigheden verkeerde.
Daarom onderschrijft de rechtbank niet eisers ter zitting ingenomen stelling dat verweerder tijdens de zitting het bestreden besluit met een geheel nieuwe motivering heeft aangevuld door het standpunt in te nemen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in bijstand behoevende omstandigheden heeft verkeerd.
Eiser heeft over zijn verblijfadressen verklaard. De woonruimte van de wooncorporatie [naam] op het adres [adres] in [woonplaats] is ontruimd waardoor eiser op straat is komen te staan. Voor de bijstandstoekenning is alleen van belang dat eiser in de gemeente van aanvraag verblijft. Zwaar dient mee te wegen dat verweerder steeds heeft geweigerd hem een briefadres te verstrekken en op deze wijze formele obstakels heeft opgeworpen. Het is dan ook mede aan verweerder te wijten dat hij in deze lastige situatie terecht is gekomen. Eiser heeft geen formele mogelijkheden om aan te tonen waar hij verblijft.
Eiser wijst op alle stukken, alle aanvragen om bijstand, gesprekken en het huisbezoek. Gelet hierop was het recht op bijstand vast te stellen. Eiser heeft nu wel bijstand. Zijn recht op bijstand is dus wel vast te stellen.
Verder heeft eiser aangevoerd dat de gemeente zich bij de ontruiming van de [naam] steeds op het standpunt heeft gesteld dat de bewoners zouden worden geholpen en niet de dupe zouden worden van het conflict en de ontruiming. Toch is eiser ruim een halfjaar dakloos geweest en zit hij nog steeds zonder inkomen.
Over het achterwege laten van een hoorzitting stelt eiser dat hij alleen telefonisch heeft gemeld dat hij niet alleen naar de hoorzitting zou kunnen omdat hij dat niet veilig vond. Bewijstechnisch is niet aan de norm voldaan om daadwerkelijk te concluderen dat eiser vrijwillig van een hoorzitting heeft afgezien. Eiser is ten onrechte niet gehoord en is daarmee in zijn belangen geschaad.
Gezien de gedingstukken is de rechtbank van oordeel dat verweerder terecht heeft gesteld dat op grond van de door eiser verstrekte gegevens eisers gestelde feitelijke verblijfplaatsen onduidelijk zijn gebleven. Weliswaar heeft eiser zich meermalen bij verweerder gemeld voor het doen van verschillende aanvragen en zijn er gesprekken met hem gevoerd, maar dit laat onverlet dat de gestelde feitelijke verblijfsadressen op basis van objectieve informatie moet kunnen worden vastgesteld. Eiser heeft niet objectieve en verifieerbare gegevens verstrekt op grond waarvan zijn feitelijke woon- en leefsituatie in de te beoordelen periode vastgesteld kan worden. Hieraan doet niet af dat eiser naar eigen zeggen geen formele mogelijkheden heeft om aan te tonen waar hij verblijft.
De rechtbank gaat voorbij aan eisers stelling dat verweerder hem heeft afgehouden van een inschrijving in de Basisregistratie Personen (BRP) door hem geen briefadres te verstrekken, omdat de vraag of eiser al dan niet terecht een briefadres is onthouden in deze beroepsprocedure niet voorligt. Ten overvloede overweegt de rechtbank hierover dat ook voor een inschrijving in de BRP nodig is dat de feitelijke woonsituatie duidelijk is.