ECLI:NL:RBMNE:2020:2486

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 juni 2020
Publicatiedatum
30 juni 2020
Zaaknummer
UTR 19/2621
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep door tegemoetkoming bestuursorgaan

ASR Schadeverzekeringen heeft beroep ingesteld tegen een beslissing van het UWV. Tijdens de procedure heeft het UWV op 23 maart 2020 een nieuwe beslissing op bezwaar genomen waarin het bezwaar van ASR gegrond werd verklaard. Hierdoor heeft ASR het beroep ingetrokken en een vergoeding van de gemaakte proceskosten gevraagd.

De rechtbank oordeelt dat op grond van de Algemene wet bestuursrecht (artikelen 8:54, 8:75 en 8:75a Awb) en het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) de proceskosten vergoed moeten worden wanneer het bestuursorgaan geheel tegemoet is gekomen aan het bezwaar. De rechtbank stelt de proceskosten vast op € 1.050,- voor de beroepsmatige rechtsbijstand.

Daarnaast wijst de rechtbank erop dat het griffierecht van € 345,- door het UWV vergoed moet worden op grond van artikel 8:41, zevende lid, Awb. De uitspraak is gedaan zonder zitting vanwege voldoende informatie en vanwege coronamaatregelen.

De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van de proceskosten aan ASR. Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken verzet worden ingesteld.

Uitkomst: De rechtbank veroordeelt het UWV tot betaling van € 1.050,- aan proceskosten aan ASR Schadeverzekeringen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/2621

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 juni 2020 in de zaak tussen

ASR Schadeverzekeringen N.V., te Utrecht, verzoekster,

(gemachtigde: mr. G. van Zon),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder heeft op 11 juni 2019 een beslissing op bezwaar genomen. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan.
Op 23 maart 2020 heeft verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar genomen, waarin het bezwaar van verzoekster alsnog gegrond is verklaard. Verzoekster heeft daarna het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en heeft er geen bezwaar tegen om de proceskosten van verzoekster te betalen.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting, omdat zij vindt dat zij daarvoor over voldoende informatie beschikt.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift (dus van verzoekster) moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb. Met de nieuwe beslissing op bezwaar van 23 maart 2020 is verweerder geheel tegemoet gekomen aan de beroepsgronden van verzoekster. De rechtbank zal verweerder daarom veroordelen in de proceskosten van verzoekster. In het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is bepaald welke kosten er dan vergoed moeten worden.
3. De proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand stelt de rechtbank op grond van het Bpb vast op € 1.050,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het aanwezig zijn bij de zitting, met een waarde per punt van
€ 525,- en een wegingsfactor 1).
4. De rechtbank wijst erop dat verweerder op grond van artikel 8:41, zevende lid, van de Awb verplicht is het door verzoekster betaalde griffierecht van € 345,- te vergoeden. Verzoekster zal zich hiervoor dan ook tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.050,-.
Deze uitspraak is op 26 juni 2020 gedaan door mr. R.C. Moed, rechter, in aanwezigheid van
mr. A. Azmi, griffier. Als gevolg van maatregelen rondom het Corona virus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij deze rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.