ECLI:NL:RBMNE:2020:2462

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 februari 2020
Publicatiedatum
30 juni 2020
Zaaknummer
19/2481
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
  • S.G.M. Buys
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 Awb
Verwijzingen
1 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen betalingsverzoek DUO geen besluit in zin Awb

Opposante heeft verzet aangetekend tegen een uitspraak van 6 december 2019 waarin haar beroep tegen een betalingsverzoek van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) ongegrond werd verklaard. De rechtbank heeft op 7 februari 2020 het verzet behandeld, waarbij opposante wel aanwezig was en verweerder niet.

De kern van het geschil betreft de vraag of het betalingsverzoek van 4 januari 2019 een besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De rechtbank oordeelde dat dit niet het geval is, omdat het betalingsverzoek slechts een informatieve mededeling betreft over reeds vastgestelde bedragen en geen rechtsgevolgen heeft.

Opposante stelde dat zij bezwaar maakte tegen de totale schuld, die volgens haar onjuist was berekend omdat het inkomen van haar vader ten onrechte was meegeteld. De rechtbank wees erop dat het primaire besluit dat dit betrof al in 2011 was genomen en dat opposante daartegen geen bezwaar of beroep had ingesteld, waardoor de schuld nu vaststaat.

De rechtbank bevestigde dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van 6 december 2019 in stand blijft. Er werd geen proceskostenvergoeding toegekend en tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzet tegen het betalingsverzoek is ongegrond verklaard omdat het betalingsverzoek geen besluit is in de zin van de Awb.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/2481-V

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van

7 februari 2020 op het verzet van

[opposante] , te [woonplaats] , opposante,

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend tegen het besluit van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, Dienst Uitvoering Onderwijs van
23 mei 2019.
In de uitspraak van 6 december 2019 heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.
Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 januari 2020. Opposante is verschenen. Verweerder is niet verschenen (met bericht van verhindering).
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.

Overwegingen

1. Hierna zal de rechtbank deze beslissing uitleggen.
2. De rechtbank heeft in de uitspraak van 6 december 2019 het beroep ongegrond verklaard, omdat het betalingsverzoek van 4 januari 2019 geen besluit is zoals bedoeld is in artikel 1:3, eerste lid van de Awb. Omdat het geen besluit is in de zin van de Awb kan men daarom geen bezwaar hiertegen instellen en heeft verweerder daarom het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard.
3. De rechtbank moet beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
4. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 6 december 2019 niet juist omdat het niet klopt dat opposante bezwaar maakt tegen een betalingsverzoek. Volgens opposante heeft zij bezwaar ingediend tegen de totale schuldwaarde die verkeerd is berekend door DUO, omdat destijds het inkomen van de vader van opposante is mee berekend, welke niet mee berekend had mogen worden. Opposante heeft op zitting hieraan toegevoegd dat bij de studiefinanciering van haar broers het inkomen van haar vader ook buiten beschouwing is gelaten. De totale schuld klopt volgens opposante dan ook niet. Het gaat volgens opposante dus niet om de maandelijkse verplichting tot terugbetaling maar om het totale schuldbedrag van € 35.761,00.
5. De rechtbank moet nu oordelen over de vraag of de uitspraak van 6 december 2019 juist tot stand is gekomen. Het primaire besluit waartegen opposante bezwaar heeft gemaakt, is de brief van 14 januari 2019. In die brief verzoekt verweerder opposante het maandbedrag van januari 2019 te betalen. Het betreft hier een mededeling van informatieve aard over de hoogte van nog terug te betalen bedragen, waarover in het verleden al besluiten zijn genomen. In het verleden - op 9 december 2011 - heeft opposante een verzoek gedaan aan DUO om bij de vaststelling van de aanvullende beurs geen rekening te houden met het inkomen van haar vader. Verweerder heeft de ontvangen bewijsstukken beoordeeld en heeft het verzoek op 10 maart 2011 afgewezen. Dat betekent dat opposante bezwaar en beroep had moeten indienen tegen dat afwijzende besluit. Dit heeft zij niet gedaan met als gevolg dat de totale omvang van de studieschuld nu vaststaat. De brief van 14 januari 2019 waar opposante bezwaar tegen heeft gemaakt, is dus geen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid van de Awb, omdat de brief niet gericht is op rechtsgevolgen.
6. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van 6 december 2019 in stand blijft.
7. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. Buys, rechter, in aanwezigheid van L.J.N. van der Linden, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 februari 2020.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.