Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 juni 2020 in de zaak tussen
[verzoeker] , te [woonplaats] , verzoeker(gemachtigde: mr. J.J. van 't Hoff),
(gemachtigde: mr. J.J. Kwant).
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker heeft tegen het besluit van 21 februari 2020, waarbij zijn rijbewijs per 28 februari 2020 ongeldig werd verklaard wegens vermoedelijke ongeschiktheid om een motorrijtuig te besturen, een voorlopige voorziening gevraagd. Het onderzoek door psychiaters [A] en [B] concludeerde dat verzoeker afhankelijk was van benzodiazepinen, met een remissie vanaf 1 januari 2020, maar dat de recidiefvrije periode nog niet was verstreken.
Verzoeker stelde dat hij sinds mei 2019 was gestopt met het gebruik van benzodiazepinen en dat het inzage- en correctierecht niet juist was toegepast. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker schriftelijk afstand had gedaan van dat recht en dat de rapporten zorgvuldig tot stand waren gekomen. Ook was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verzoeker was gestopt met het gebruik van de medicatie.
Een contra-expertise van psychiater [C] die stelde dat er geen afhankelijkheid was in de afgelopen 12 maanden, werd niet voldoende overtuigend geacht omdat deze zich op de huidige situatie richtte. De voorzieningenrechter concludeerde dat het bezwaar tegen het besluit weinig kans van slagen had en wees het verzoek om voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de ongeldigverklaring van het rijbewijs wordt afgewezen.