ECLI:NL:RBMNE:2020:2305
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling WOZ-waarde woning en toepassing artikel 40 Wet WOZ
In deze bestuursrechtelijke zaak gaat het om een beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van een appartement uit 2004 met een woonoppervlakte van 162 m2, gelegen aan een adres in een Nederlandse gemeente. Verweerder had de waarde voor het belastingjaar 2019 vastgesteld op €606.000, terwijl eiser een lagere waarde van €574.000 vorderde.
De rechtbank beoordeelde de onderbouwing van de waarde door verweerder, die een taxatiematrix had overgelegd met drie referentiewoningen die vergelijkbaar waren qua bouwjaar, grootte en uitstraling. Verweerder had aannemelijk gemaakt dat de waarde niet te hoog was vastgesteld, mede doordat de taxatiematrix inzicht gaf in de prijsverschillen en rekening hield met factoren als vve-reserves en gedateerde voorzieningen.
Eiser voerde diverse beroepsgronden aan, waaronder het niet meenemen van bepaalde verkoopcijfers, onvoldoende rekening houden met het afnemend grensnut, onvoldoende correctie voor vve-reserves, en het niet voldoen aan artikel 40 Wet Pro WOZ inzake informatieverstrekking. De rechtbank verwierp deze gronden, stellende dat verweerder de best vergelijkbare woningen had gekozen, het afnemend grensnut niet opgaat bij deze woninggrootte, vve-reserves correct waren verwerkt en dat er geen verplichting bestaat om KOUDV-factoren gedetailleerd te verstrekken.
De rechtbank concludeerde dat verweerder voldoende inzicht had gegeven in de waardebepaling en dat de vastgestelde WOZ-waarde niet te hoog was vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van €606.000 wordt ongegrond verklaard.