ECLI:NL:RBMNE:2020:2093

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
5 juni 2020
Publicatiedatum
8 juni 2020
Zaaknummer
UTR 20/2051
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen last onder bestuursdwang wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekers zijn eigenaar van een perceel met drie mestputten waarin drugsafval is aangetroffen. Na klachten uit de buurt heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten in december 2019 monsters genomen en vastgesteld dat de mestputten verontreinigd zijn met drugsafval. In januari 2020 is bestuursdwang toegepast door het afsluiten van de putten. Op 18 mei 2020 is een nieuwe last onder bestuursdwang opgelegd, waarbij verzoekers werden gelast de verontreinigde mest uiterlijk 8 juni 2020 te verwijderen onder milieukundige begeleiding.

Verzoekers maakten bezwaar tegen dit besluit en verzochten op 4 juni 2020 om een voorlopige voorziening om de werking van de last te schorsen gedurende de bezwaarprocedure. Zij stelden dat het spoedeisend belang lag in de hoge kosten die op hen verhaald zouden worden, terwijl zij niet op het perceel wonen en niet wisten van het drugsafval. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat de kosten nog niet zijn gemaakt en het verhaal daarvan nog niet heeft plaatsgevonden, zodat het spoedeisend belang ontbreekt.

Verder werd vastgesteld dat verzoekers en verweerder het erover eens zijn dat de verontreinigde mest verwijderd moet worden. De rechter zag geen reden om de bestuursdwang nu te schorsen, ook niet omdat het besluit niet evident onrechtmatig is. Het verzoek werd dan ook kennelijk ongegrond verklaard en afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de last onder bestuursdwang wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/2051

uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 juni 2020 in de zaak tussen

[verzoeker] en [verzoekster] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. S. Rorije),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Houten, verweerder.

Inleiding

1. Verzoekers zijn eigenaar van het perceel [adres] in [woonplaats] . Op het perceel zijn drie mestputten aanwezig. Na klachten uit de buurt heeft verweerder in december 2019 monsters uit de putten genomen en is vastgesteld dat er drugsafval in de mestputten aanwezig is. Volgens verweerder overtreden verzoekers daardoor de Wet milieubeheer. In januari 2020 heeft verweerder met toepassing van bestuursdwang de mestputten afgesloten, als tijdelijke maatregel.
2. Bij besluit van 18 mei 2020 heeft verweerder aan verzoekers een nieuwe last onder bestuursdwang opgelegd. Verweerder heeft verzoekers daarbij gelast om uiterlijk maandag 8 juni 2020 om 17:00 de verontreinigde mest onder milieukundige begeleiding te hebben laten verwijderen en de verontreinigde mest te hebben afgeleverd bij een erkend verwerker. Daarbij heeft verweerder verzoekers meegedeeld dat de kosten van de bestuursdwang op hen zullen worden verhaald.
3. Verzoekers hebben bezwaar gemaakt tegen het besluit van 18 mei 2020. Verzoekers hebben daarnaast op 4 juni 2020 de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Zij willen daarmee bereiken dat de werking van de last onder bestuursdwang voor het aflopen van de begunstigingstermijn op 8 juni wordt geschorst tijdens de bezwaarprocedure.
4. De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat er geen spoedeisend belang is dat het treffen van een voorlopige voorziening vereist. Dat is zo duidelijk, dat sprake is van een kennelijk ongegrond verzoek. Om die reden worden partijen niet uitgenodigd voor een zitting.

Overwegingen

5. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers vooral vrezen voor grote en onomkeerbare financiële gevolgen, als de last onder bestuursdwang niet geschorst wordt. De kosten voor het verwijderen van het drugsafval in de putten zullen op hen worden verhaald en zijn zo hoog dat de bezwaarprocedure niet kan worden afgewacht. De kosten mogen niet voor rekening van verzoekers komen, omdat zij geen overtreders zijn, aldus verzoekers. Zij wonen niet op het perceel en wisten niet van het drugsafval of de geuroverlast af.
6. De voorzieningenrechter overweegt dat de kosten van de bestuursdwang op dit moment nog niet zijn gemaakt en dus ook nog niet worden verhaald op verzoekers. De situatie met grote financiële gevolgen waarvoor verzoekers vrezen is nu dan ook niet spoedeisend: dat zal pas het geval zijn als de bestuursdwang daadwerkelijk is uitgevoerd en als verweerder vervolgens over gaat tot het verhalen van de gemaakte kosten. Verzoekers merken terecht op dat de discussie of verzoekers als overtreder aan te merken zijn in de bezwaarprocedure bij verweerder moet worden gevoerd. Dat geldt ook voor de opmerkingen over de monstername en hoe die zich tot de besluitvorming verhoudt. Als het standpunt van verzoekers dat zij geen overtreders zijn klopt, kunnen de kosten voor de bestuursdwang vervolgens ook niet op hen verhaald worden. Dat levert nu echter geen spoedeisend belang op bij schorsing van de last onder bestuursdwang.
7. Uit het verzoekschrift lijkt te volgen dat het verzoekers er niet om te doen is dat de met drugsafval verontreinigde mest in de mestputten blijft. Partijen vinden elkaar dan dus in de conclusie dat de inhoud van de mestputten moet worden verwijderd. Als verweerder dat in het licht van het milieubelang zo spoedeisend vindt dat hij daartoe nu zelf actie gaat ondernemen, dan doet hij dat met het risico dat de gemaakte kosten uiteindelijk niet op verzoekers kunnen worden verhaald. De bezwaarprocedure moet daar uitsluitsel over geven en de voorzieningenrechter ziet in het verzoek geen reden om daarop nu vooruit te lopen door verweerder te verbieden de bestuursdwang uit te voeren. De stukken geven de voorzieningenrechter verder geen aanleiding om nu te oordelen dat de last onder bestuursdwang evident onrechtmatig is en om die reden moet worden geschorst.

Conclusie

8. De conclusie is daarom dat er geen spoedeisend belang is bij het treffen van een voorziening. Het verzoek is kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
9. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Dalen, griffier
.De beslissing is gedaan op 5 juni 2020. Als gevolg van maatregelen rondom het Coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier voorzieningenrechter
(de griffier is verhinderd de (de voorzieningenrechter is
uitspraak te ondertekenen) verhinderd de uitspraak teondertekenen)
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.