ECLI:NL:RBMNE:2020:1845

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
30 april 2020
Publicatiedatum
13 mei 2020
Zaaknummer
20/1127
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:82 AwbArt. 8:41 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet betalen griffierecht

Deze uitspraak betreft een verzoek om voorlopige voorziening van HuurSnel West B.V. tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere van 24 januari 2020.

De voorzieningenrechter heeft partijen niet uitgenodigd voor een zitting omdat het griffierecht niet is betaald, waardoor de zaak niet inhoudelijk kon worden behandeld. Volgens artikel 8:82 van Pro de Algemene wet bestuursrecht moet het griffierecht binnen een gestelde termijn worden voldaan, anders wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Verzoekster is per aangetekende brief op 26 maart 2020 in de gelegenheid gesteld het griffierecht binnen twee weken te betalen. De brief is volgens PostNL bezorgd en aangetekend ontvangen door de gemachtigde van verzoekster. Verzoekster heeft het griffierecht niet betaald en geen geldige reden voor het verzuim gegeven.

Daarom verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betalen van het griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 20/1127

uitspraak van de voorzieningenrechter van 30 april 2020 in de zaak tussen

HuurSnel West B.V., te Barendrecht, verzoekster

(gemachtigde: mr. E. Engels),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, verweerder

(gemachtigde: C. Haan).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit van verweerder van 24 januari 2020.

Overwegingen

1. In deze zaak worden partijen niet uitgenodigd voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. Verzoekster heeft namelijk het griffierecht niet betaald. De voorzieningenrechter kan de zaak daarom niet inhoudelijk behandelen. Hieronder legt de voorzieningenrechter dat verder uit.
2. De indiener van een verzoek om voorlopige voorziening moet griffierecht betalen. Dit volgt uit artikel 8:82, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De griffier van de rechtbank stelt een termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald (artikelen 8:82, derde lid, en 8:41, vijfde lid, van de Awb). Het hele bedrag moet binnen de gestelde termijn bijgeschreven zijn op de rekening van de rechtbank of binnen die termijn betaald zijn op de griffie van de rechtbank.
3. Als het griffierecht niet of niet op tijd wordt betaald, verklaart de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Dit volgt uit de artikelen 8:82, derde lid, en 8:41, zesde lid, van de Awb. Dat is alleen anders als voor het niet of niet tijdig betalen van het griffierecht een geldige reden wordt gegeven.
4. Bij aangetekend verzonden brief van 26 maart 2020 is verzoekster in de gelegenheid gesteld het griffierecht te betalen binnen twee weken na dagtekening van die brief. Uit de track & trace gegevens van PostNL is gebleken dat de brief op het adres van de gemachtigde van verzoekster is bezorgd, waarbij is aangetekend voor ontvangst. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat de brief door de gemachtigde van verzoekster is ontvangen.
5. Verzoekster heeft het griffierecht niet betaald en heeft geen reden gegeven voor dit verzuim. Er is dus geen verontschuldiging voor het niet betalen van het griffierecht.
6. Het verzoek is daarom niet-ontvankelijk.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K. de Meulder, rechter, in aanwezigheid van mr. C.H. Verweij, griffier. Deze uitspraak is gedaan op 30 april 2020. Als gevolg van de maatregelen rondom het coronavirus is deze uitspraak niet uitgesproken op een openbare uitsprakenzitting. Zodra het openbaar uitspreken weer mogelijk is, wordt deze uitspraak, voor zover nodig, alsnog in het openbaar uitgesproken.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.