Verzoekers meldden zich op 6 februari 2020 bij de gemeente Soest met een verzoek om gezinsopvang op grond van de Wmo, waarop tijdelijke opvang werd verleend tot 13 februari 2020. Verdere verzoeken op 12/13 februari en 18 maart 2020 betroffen verlengingen van deze melding, maar er is geen formele aanvraag ingediend. De gemeente heeft geen besluit genomen op deze meldingen, slechts een gesprek gevoerd en een brief gestuurd waarin werd aangegeven dat onvoldoende informatie was om een besluit te nemen.
Verzoekers maakten op 1 april 2020 bezwaar tegen de brief van 24 maart 2020 en dienden beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank oordeelt dat het indienen van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet mogelijk was omdat er geen formele aanvraag was gedaan waarop een besluit genomen moest worden. Hierdoor was bezwaar ook nog niet ontvankelijk.
De voorzieningenrechter zag geen aanleiding om proceskosten toe te kennen voor de ingetrokken procedures en het verzoek om voorlopige voorziening. De rechtbank benadrukt dat de wettelijke termijnen en procedures van de Wmo strikt gevolgd moeten worden, waarbij een melding niet gelijkstaat aan een aanvraag die een besluitplicht met zich meebrengt.
De rechtbank wijst daarom alle verzoeken om proceskostenvergoeding af en bevestigt dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep of verzet mogelijk is voor zover het de voorlopige voorziening betreft.