Partijen, een man en een vrouw, hebben gezamenlijk gezag over hun minderjarige kind. De zorgregeling en hoofdverblijfplaats zijn eerder vastgesteld en bekrachtigd door de rechtbank. Door de corona-uitbraak heeft de man de omgang met de vrouw stopgezet uit vrees voor de gezondheid van zijn kwetsbare partner en haar dochter, die tot een risicogroep behoren.
De vrouw vordert nakoming van de omgangsregeling en herstel van het contact met het kind, terwijl de man verzoekt de regeling te schorsen zolang de coronaproblematiek voortduurt. De Raad voor de Kinderbescherming heeft een voorstel gedaan om de verblijfsperiode tijdens de schoolsluiting te verdelen om besmettingsrisico's te beperken.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de zorgregeling in principe uitvoerbaar is volgens de RIVM-richtlijnen en dat het belang van het kind bij contact met beide ouders voorop staat. De man mag echter gedurende de coronamaatregelen weigeren het kind na verblijf bij de vrouw in huis te nemen. De man wordt veroordeeld tot nakoming van de zorgregeling voor het verblijf bij de vrouw, met een overdracht op 8 april 2020, en een dwangsom van €200 per dag bij niet-nakoming, tot maximaal €5.000. De vordering van de man tot schorsing wordt afgewezen en de proceskosten worden gecompenseerd.