ECLI:NL:RBMNE:2020:1600
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid per 18 maart 2003
Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een WAO-uitkering per 18 maart 2003, welke door verweerder is afgewezen op basis van een verzekeringsartsrapport dat geen sprake zag van ziekte of gebrek op die datum. Na eerdere procedures en een uitspraak van de rechtbank in januari 2019, waarbij verweerder werd opgedragen nader onderzoek te doen, heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in juni 2019 een functionele mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld met lichte beperkingen.
De verzekeringsarts constateerde dat er per einde wachttijd sprake was van een onschuldige ritmestoornis met lichte beperkingen, maar geen toename van beperkingen binnen vijf jaar daarna. Ook per 13 september 2017 bleven de beperkingen ongewijzigd. Eiseres voerde aan dat haar klachten onvoldoende werden meegewogen en dat medische informatie onvolledig was, maar kon dit niet onderbouwen met nieuwe medische stukken.
De rechtbank oordeelde dat de medische en arbeidskundige beoordelingen zorgvuldig en voldoende gemotiveerd waren. De geduide functies waren passend bij de belastbaarheid van eiseres, en haar mate van arbeidsongeschiktheid werd terecht vastgesteld op 11,68%, onvoldoende voor een WAO-uitkering. Het beroep van eiseres werd ongegrond verklaard en verweerder mocht het bestreden besluit handhaven.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat eiseres geen recht heeft op een WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.