Uitspraak
tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2020 in de zaak tussen
[eiseres] N.V., te [vestigingsplaats] , eiseres
[naam derde-partij], te [woonplaats] , werkneemster.
Rechtbank Midden-Nederland
Werkneemster werkte 38 uur per week als Analist D en meldde zich ziek op 2 juni 2017. Na re-integratie werkte zij 24 uur per week. Bij aanvraag WIA-uitkering stelde het UWV de maatgevende urenomvang vast op 36,25 uur per week, inclusief maanden met aangekocht verlof (november 2016 en mei 2017).
Eiseres betoogde dat deze maanden buiten beschouwing moesten blijven omdat het aantal gewerkte uren niet maatgevend was, wat invloed heeft op de arbeidsongeschiktheidspercentage. Verweerder handhaafde het besluit, stellende dat het loon volledig werd doorbetaald en het verlof binnen het normale arbeidspatroon viel.
De rechtbank oordeelde dat in genoemde maanden niet het volledige loon was doorbetaald en dat het lagere loon samenhing met minder gewerkte uren, gelijkgesteld aan onbetaald verlof. Daarom moesten deze maanden buiten beschouwing blijven volgens artikel 7a lid 2 Schattingsbesluit. Verweerder had het maatmaninkomen moeten bepalen met een urenomvang van 38,07 uur per week.
De rechtbank verklaarde het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en gaf verweerder de mogelijkheid het gebrek te herstellen binnen tien weken. De procedure wordt aangehouden tot de einduitspraak, waarbij partijen nog kunnen reageren op een eventuele herstelbeslissing.
Uitkomst: Verweerder krijgt de gelegenheid het besluit te herstellen door de maatgevende urenomvang correct te bepalen en het bezwaar opnieuw te behandelen.