ECLI:NL:RBMNE:2020:1549

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 maart 2020
Publicatiedatum
20 april 2020
Zaaknummer
16/652756 ontneming
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 511b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in vordering tot ontneming na vrijspraak verdachte

In deze zaak heeft het Openbaar Ministerie een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ingediend tegen verdachte [A]. Deze vordering werd ingesteld binnen de wettelijke termijn en ondersteund door een rapport over de berekening van het vermeende voordeel.

Verdachte werd in de onderliggende strafzaak vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten. De officier van justitie vorderde daarom ter terechtzitting de afwijzing van de ontnemingsvordering. De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege de vrijspraak, en voerde daarnaast aan dat onvoldoende bewijs bestond voor het genoten voordeel.

De rechtbank oordeelde dat de vrijspraak van verdachte betekent dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de ontnemingsvordering, aangezien het voordeel is berekend op basis van feiten waarvan verdachte is vrijgesproken. De rechtbank verwees hierbij naar jurisprudentie (ECLI:NL:HR:2009:BG4258). De vordering van het Openbaar Ministerie werd derhalve afgewezen.

Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens vrijspraak van verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingslocatie Lelystad
Parketnummer: 16/652756-16 (ontneming)
Datum: 23 maart 2020
Beslissing op de vordering ex artikel 36e Wetboek van Strafrecht (Sr)
van de officier van justitie in de zaak tegen:
[A] ,geboren op [1986] te [geboorteplaats] ,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
hierna te noemen: [A] .
Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 9 maart 2020.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering en standpunten van officier van justitie mr. A.M.V.C. Fellinger en van hetgeen verdachte en zijn raadsman, mr. J.M. Keizer, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.

1.De procedure

De procedure blijkt onder meer uit het volgende:
  • de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;
  • het rapport met betrekking tot de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, opgemaakt op 6 september 2016 door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , beiden agent van politie Eenheid Midden-Nederland;
  • het vonnis en het strafdossier onder parketnummer 16/652756-16, waaruit blijkt dat [A] op 23 maart 2020 door de meervoudige kamer in deze rechtbank is vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten.

2.De beoordeling

2.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft in de strafzaak met voormeld parketnummer gevorderd dat verdachte integraal wordt vrijgesproken. Zij heeft om die reden ter terechtzitting gevorderd dat de ontnemingsvordering wordt afgewezen.
2.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft betoogd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot ontneming, gelet op zijn bepleite vrijspraak voor de ten laste gelegde feiten. Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de vordering dient te worden afgewezen, omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat verdachte enig voordeel heeft genoten. Meer subsidiair heeft hij bepleit dat de vordering pondspondsgewijs dient te worden gedeeld door vier en heeft hierbij verwezen naar ECLI:NL:HR:2015:878 en ECLI:NL:HR:20118:783.
2.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft [A] in de onderliggende strafzaak bij vonnis van 23 maart 2020 vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde feiten, derhalve ook van het feit op basis waarvan het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend. Gelet op deze vrijspraak is de rechtbank van oordeel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel dient te worden verklaard (vgl. ECLI:NL:HR:2009:BG4258).
BESLISSING
De rechtbank verklaart het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijkin de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ferschtman, voorzitter, mrs. A.M. Crouwel, J. Wiersma, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.A.L. van Dreumel, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 maart 2020.
Mr. A.M. Crouwel, mr. J. Wiersma en de griffier zijn buiten staat het vonnis te ondertekenen.