In deze zaak staat centraal of tussen eiser als verkoper en gedaagde als koper een koopovereenkomst is gesloten voor een partij vloertegels en of de betaling heeft plaatsgevonden. De vloertegels zijn geleverd en er is een factuur op naam van gedaagde, maar gedaagde stelt dat hij slechts als bemiddelaar optrad namens zijn moeder, die op de afleverbon staat vermeld.
De kantonrechter constateert dat eiser zich nog niet heeft uitgelaten over het bemiddelingsverweer en geeft hem de gelegenheid dit alsnog te doen, waarna gedaagde kan reageren. Daarnaast is onduidelijk of en door wie er betaald is; gedaagde stelt contante betaling te hebben gedaan aan de chauffeur, maar dit wordt betwist door de chauffeur en diens werkgever. Een schriftelijke getuigenverklaring en een handgeschreven aantekening op de afleverbon zijn onvoldoende bewijs voor betaling.
Vanwege de coronamaatregelen is de geplande mondelinge behandeling afgezegd en wordt eerst een schriftelijke ronde gehouden waarin partijen zich over de genoemde punten kunnen uitlaten. De kantonrechter benadrukt dat partijen in overleg moeten treden, aangezien vaststaat dat de tegels zijn geleverd en in de woning van de moeder zijn gelegd. De zaak wordt aangehouden tot na de schriftelijke conclusies, waarna opnieuw kan worden bezien of een mondelinge behandeling nodig is.