Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2020:1253

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 april 2020
Publicatiedatum
1 april 2020
Zaaknummer
8129881 UC EXPL 19-11720
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geschil over koopovereenkomst en betaling van vloertegels

In deze zaak staat centraal of tussen eiser als verkoper en gedaagde als koper een koopovereenkomst is gesloten voor een partij vloertegels en of de betaling heeft plaatsgevonden. De vloertegels zijn geleverd en er is een factuur op naam van gedaagde, maar gedaagde stelt dat hij slechts als bemiddelaar optrad namens zijn moeder, die op de afleverbon staat vermeld.

De kantonrechter constateert dat eiser zich nog niet heeft uitgelaten over het bemiddelingsverweer en geeft hem de gelegenheid dit alsnog te doen, waarna gedaagde kan reageren. Daarnaast is onduidelijk of en door wie er betaald is; gedaagde stelt contante betaling te hebben gedaan aan de chauffeur, maar dit wordt betwist door de chauffeur en diens werkgever. Een schriftelijke getuigenverklaring en een handgeschreven aantekening op de afleverbon zijn onvoldoende bewijs voor betaling.

Vanwege de coronamaatregelen is de geplande mondelinge behandeling afgezegd en wordt eerst een schriftelijke ronde gehouden waarin partijen zich over de genoemde punten kunnen uitlaten. De kantonrechter benadrukt dat partijen in overleg moeten treden, aangezien vaststaat dat de tegels zijn geleverd en in de woning van de moeder zijn gelegd. De zaak wordt aangehouden tot na de schriftelijke conclusies, waarna opnieuw kan worden bezien of een mondelinge behandeling nodig is.

Uitkomst: De zaak wordt aangehouden voor schriftelijke conclusies over koper en betaling, waarna verdere beslissing volgt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 8129881 UC EXPL 19-11720 asp/1189
Vonnis van 8 april 2020
inzake
[eiser] , h.o.d.n. [naam],
zaakdoende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [eiser] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. P.H. Huth,
tegen:
[gedaagde],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen [gedaagde] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. A.H.A. Beijersbergen van Henegouwen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 15 oktober 2019;
  • de conclusie van antwoord.
1.2.
In deze zaak zou op 1 april 2020 een zitting plaatsvinden. Deze is afgezegd in verband met het coronavirus. Aan partijen is schriftelijk de vraag voorgelegd of zij de mondelinge behandeling wilden aanhouden, dan wel of zij ieder kort schriftelijk op elkaars standpunten wilden reageren en dat de kantonrechter daarna vonnis zal wijzen.
1.3.
[eiser] heeft meegedeeld in te stemmen met een schriftelijke reactie. [gedaagde] heeft laten weten een mondelinge behandeling te wensen.
1.4.
De kantonrechter heeft daarop beslist eerst een tussenvonnis te zullen wijzen.

2.De voortgang van de procedure

2.1.
De kantonrechter overweegt dat aanhouding van de zaak tot een moment waarop alsnog een mondelinge behandeling zal plaatsvinden onwenselijk is. Het is op dit moment onduidelijk wanneer een mondelinge behandeling kan worden ingepland. Daardoor zal een lange aanhouding van de zaak ontstaan. De kantonrechter zal daarom hierna een beslissing nemen die erop ziet dat de zaak niet onnodig blijft stilliggen.
Deze beslissing wordt niet anders, nadat de kantonrechter nadat hij onderstaand vonnis had gewezen een e-mail van de gemachtigde van [eiser] aantrof, waarin deze meedeelt toch liever ene mondelinge behandeling te hebben. De kantonrechter ziet dit vonnis als voorbereiding op ene eventuele behandeling. Indien partijen hun conclusies op een kortere termijn dan de gebruikelijke vier weken zullen nemen, hebben zij ook invloed op de wachttijd voor een mondelinge behandeling.
De kantonrechter merkt in dit verband tot slot op dat er momenteel in verband met de coronacrisis geen fysieke zittingen worden gepland. Hoe dat na het nemen van de conclusies zal zijn is nu niet te zeggen. Zo nodig zal de kantonrechter overgaan tot telehoren.
2.2.
De kantonrechter komt het geraden voor dat partijen zich uitlaten over een enkele punten, die hierna zullen worden vermeld. Dit kan het beste in de vorm van een conclusie van repliek door [eiser] en daarna een conclusie van dupliek door [gedaagde] . Indien nodig kan daarna opnieuw worden bezien of een mondelinge behandeling van de zaak moet volgen.
2.3.
Het geschil van partijen draait ten eerste om de vraag of tussen [eiser] als verkoper en [gedaagde] als koper een koopovereenkomst van een partij vloertegels is gesloten voor een koopsom van € 3.215,20. Het staat vast dat op 19 december 2018 de vloertegels zijn geleverd en dat er een factuur is van 1 april 2019.
2.4.
[gedaagde] voert als meest vergaand verweer dat hij niet de koper is en dat hij slechts als bemiddelaar tussen [eiser] en zijn moeder is opgetreden. Hij verwijst naar de als productie 1 bij dagvaarding overgelegde afleverbon, die op naam van zijn moeder ( [A] ) staat en op haar adres ( [adres] in [woonplaats] ). Weliswaar is de factuur op naam van [gedaagde] gesteld, maar niet op zijn adres; [gedaagde] woont in [woonplaats] en niet in [woonplaats] .
De kantonrechter overweegt dat [eiser] zich over dit punt niet heeft kunnen uitlaten. Daarbij is het de vraag of het kenbaar was voor [eiser] dat [gedaagde] bemiddelaar was en niet voor zichzelf optrad en, zo ja, waar dat uit blijkt. [eiser] krijgt gelegenheid dit alsnog te doen, waarna [gedaagde] kan reageren.
2.5.
Vervolgens is in geschil of de koper [A] , dan wel [gedaagde] , de tegels heeft betaald. [eiser] stelt dat er niets is betaald. [gedaagde] voert aan dat hij bij aflevering van de vloertegels
€ 3.200,00 contant aan de chauffeur heeft betaald.
[gedaagde] onderbouwt zijn verweer (naar de kantonrechter aanneemt namens [A] ) met een schriftelijke getuigenverklaring van [getuige] , waaruit kan worden afgeleid dat [gedaagde] aan de chauffeur een envelop met geld heeft gegeven en dat de chauffeur daarvoor een notitie achterop “het ontvangstbewijs” heeft gezet. Die verklaring is op zichzelf onvoldoende, omdat [getuige] niet verklaart dat hij het geldbedrag daadwerkelijk heeft gezien of gecontroleerd. Hij heeft (alleen) horen zeggen dat er € 3.200,00 in de enveloppe zat. Onduidelijk is door wie hij dat heeft horen zeggen. Als productie 7 bij dagvaarding heeft [eiser] een kopie overgelegd van de afleverbon en van de achterzijde daarvan, die kennelijk door [gedaagde] aan [eiser] is toegezonden. Op de achterzijde staat met de hand geschreven:
“€ 3.200,- voldaan”, maar het is niet duidelijk wie dat heeft genoteerd en op welke datum; dat staat er namelijk niet bij. [eiser] heeft daarover verder nog vermeld dat de chauffeur ontkent een envelop met geld in ontvangst te hebben genomen. De werkgever van de chauffeur deelt mee dat de chauffeur daarvoor ook geen opdracht had.
2.6.
Indien komt vast te staan dat de koopovereenkomst is gesloten tussen [eiser] en [gedaagde] , en dat is zeker nog niet gebleken, zal nader onderzoek moeten plaatsvinden naar de vraag of er is betaald. Indien blijkt dat de koopovereenkomst is gesloten tussen [eiser] en [A] , dan rust de betalingsverplichting op [A] en niet op [gedaagde] , waardoor de grond onder de vordering van [eiser] zou wegvallen. Indien komt vast te staan dat de koopovereenkomst wel tussen [eiser] en [gedaagde] is gesloten, zal onderzocht moeten worden of er is betaald, wanneer en hoeveel. Uit de verklaring van [getuige] kan betaling niet worden afgeleid, uit de aantekening op de achterkant van de afleverbon evenmin.
In aansluiting op het slot van punt 2.4 krijgen partijen de gelegenheid zich ook hierover uit te laten, [eiser] als eerste.
2.7.
De kantonrechter geeft partijen nadrukkelijk mee om met elkaar in overleg te gaan over het verdere verloop van deze zaak. Het staat immers vast dat de vloertegels zijn geleverd, zonder bezwaar zijn behouden en in de woning van [A] gelegd. Daarover bestaat geen geschil. Het staat ook vast dat broers en zussen van [gedaagde] aan hem geld hebben gegeven om de tegels te betalen (zie daarvoor de verklaringen die als productie 1 bij conclusie van antwoord zijn overgelegd). Op grond hiervan vermoedt de kantonrechter dat ook [gedaagde] meent dat voor de tegels betaald moet worden of moest worden. Of er betaald is, kan de kantonrechter niet beoordelen. De chauffeur heeft geen voor de kantonrechter kenbare verklaring afgelegd. Zijn werkgever heeft in een brief aan [eiser] meegedeeld dat de chauffeur heeft gezegd geen geld te hebben ontvangen. Dat is onvoldoende om die veronderstelling hard te maken. Dit zijn alle redenen voor partijen om een open overleg met elkaar aan te gaan.
2.8.
De kantonrechter zal de zaak naar de rol verwijzen voor een conclusie van repliek door [eiser] en daarna een conclusie van dupliek door [gedaagde] met de in 2.4 en 2.6 vermelde doelen.
Alle overige beslissingen zullen worden aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 6 mei 2020voor het nemen van een conclusie van repliek door [eiser] , met inachtneming van 2.4 tot en met 2.6 van dit vonnis, waarna [gedaagde] op de rol van vier weken daarna een conclusie van dupliek kan nemen,
3.2.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Penders, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op woensdag 8 april 2020.