Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Procesverloop
2.Beoordeling
3.Beslissing
[betrokkene], geboren op [1995] te [geboorteplaats] , voor de volgende vormen van verplichte zorg:
Rechtbank Midden-Nederland
De rechtbank Midden-Nederland heeft op 12 maart 2020 uitspraak gedaan over een verzoek van de officier van justitie tot het verlenen van een zorgmachtiging op grond van artikel 7:11 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene, die lijdt aan een psychische stoornis. De mondelinge behandeling vond plaats te Fivoor, locatie [locatie], waarbij betrokkene, zijn advocaat en een psychiater werden gehoord.
De advocaat voerde verweer tegen het verzoek, stellende dat betrokkene niet recent onafhankelijk was onderzocht en dat de verplichte zorgmaatregelen niet noodzakelijk waren. De psychiater daarentegen adviseerde toewijzing van het verzoek vanwege het risico op ernstig nadeel en het feit dat betrokkene niet goed voor zichzelf kan zorgen sinds het stoppen met medicatie.
De rechtbank concludeerde dat betrokkene lijdt aan neurobiologische ontwikkelingsstoornissen en schizofreniespectrumstoornissen, die leiden tot ernstig nadeel zoals lichamelijk letsel, verwaarlozing en maatschappelijke teloorgang. Er zijn geen minder bezwarende alternatieven en de voorgestelde zorg is evenredig en effectief. De machtiging wordt verleend voor de duur van één maand, met uitzondering van het toedienen van vocht en voeding, en het verzoek voor het overige wordt aangehouden totdat een recente medische verklaring is ingediend.
Uitkomst: De rechtbank verleent een zorgmachtiging voor verplichte zorg aan betrokkene voor de duur van één maand.