Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Procesverloop
- een afschrift van de beslissing tot het nemen van de crisismaatregel d.d. 2 maart 2020;
- de medische verklaring d.d. 2 maart 2020.
Rechtbank Midden-Nederland
De officier van justitie verzocht om voortzetting van een op 2 maart 2020 opgelegde crisismaatregel op grond van artikel 7:7 van Pro de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) ten aanzien van betrokkene. De mondelinge behandeling vond plaats op 4 maart 2020, waarbij de advocaat, een psychiater en een verpleegkundige werden gehoord. Betrokkene was op de hoogte van de zitting maar was niet aanwezig en weigerde contact met zijn advocaat.
De crisismaatregel omvatte diverse vormen van verplichte zorg, waaronder toediening van medicatie, beperking van bewegingsvrijheid, insluiting, toezicht, en beperkingen in de vrijheid om het eigen leven in te richten. De instelling gaf aan dat betrokkene erg boos was en mogelijk een psychose had, vermoedelijk door een hoge dosis testosteron. Er was sprake van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel, met name voor de veiligheid van personen en goederen, veroorzaakt door gedrag voortvloeiend uit een psychische stoornis.
De rechtbank oordeelde dat de voortzetting van de crisismaatregel noodzakelijk, evenredig en effectief is, en dat er geen minder bezwarende alternatieven zijn. De machtiging werd verleend voor een periode van drie weken, tot en met 25 maart 2020. Tegen deze beschikking staat cassatie open.
Uitkomst: De rechtbank verleent de machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel voor drie weken.