Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 april 2019 in de zaak tussen
Prattenburg B.V., te Rhenen, (eiseres in eerste instantie, thans derde-partij (hierna: derde-partij),
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rhenen, verweerder
Procesverloop
26 september 2017, waarmee de aanwijzing van de portierswoning als gemeentelijk monument is komen te vervallen. Gelet op het bepaalde in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt het beroep geacht mede gericht te zijn tegen dit besluit.
Overwegingen
derde-partij beroep had in gesteld - heeft gewijzigd, bestaat er aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten die derde-partij in verband met het beroep gericht tegen het bestreden besluit I redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter eerste zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1). Verweerders reactie op het verzoek om proceskostenvergoeding van eiseres, dat zij pas in beroep een financiële onderbouwing heeft aangeleverd terwijl daar expliciet om was verzocht door verweerder ten tijde van de bezwaarfase, maakt dit niet anders. Uit artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb volgt immers dat het criterium voor een proceskostenvergoeding is of er sprake is van een tegemoetkoming, hetgeen hier aan de orde is.