Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[eiser sub 1] ,
[eiser sub 2],
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een geschil over de uitbetaling van een spaarpolis die in het kader van een echtscheidingsconvenant uit 2005 was bestemd voor de studie of het startkapitaal van de twee zoons van de partijen. De vader, gedaagde, hield de polis aan en ontkende uitbetaling aan de zoons, terwijl deze betaling vorderden.
De kantonrechter stelde vast dat het convenant de polis bestemde voor de kinderen, waarbij het geld primair voor studiekosten was bedoeld en anders als startkapitaal. De poliscontante waarde in 2005 bedroeg €9.171,68, en de polis is later door ASR uitgekeerd. De vader had kosten voor de opleiding van een zoon uit het potje betaald, die van het deel van die zoon werden afgetrokken.
De rechter oordeelde dat de verdeling van het bedrag 50/50 moest zijn, tenzij een goede reden voor afwijking bestond, wat hier niet het geval was. De vader moest daarom €4.585,84 aan de oudste zoon en €2.466,69 aan de jongste zoon betalen, met wettelijke rente vanaf 31 oktober 2018 toen de vader in verzuim raakte. Proceskosten werden door partijen zelf gedragen vanwege de familieverhoudingen.
Uitkomst: Vader wordt veroordeeld tot betaling van bedragen uit de spaarpolis aan zijn zoons met wettelijke rente vanaf 31 oktober 2018.