ECLI:NL:RBMNE:2019:6072

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
24 december 2019
Publicatiedatum
20 december 2019
Zaaknummer
7466207 UC EXPL 19-365
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling uit spaarpolis volgens echtscheidingsconvenant tussen vader en zoons

De zaak betreft een geschil over de uitbetaling van een spaarpolis die in het kader van een echtscheidingsconvenant uit 2005 was bestemd voor de studie of het startkapitaal van de twee zoons van de partijen. De vader, gedaagde, hield de polis aan en ontkende uitbetaling aan de zoons, terwijl deze betaling vorderden.

De kantonrechter stelde vast dat het convenant de polis bestemde voor de kinderen, waarbij het geld primair voor studiekosten was bedoeld en anders als startkapitaal. De poliscontante waarde in 2005 bedroeg €9.171,68, en de polis is later door ASR uitgekeerd. De vader had kosten voor de opleiding van een zoon uit het potje betaald, die van het deel van die zoon werden afgetrokken.

De rechter oordeelde dat de verdeling van het bedrag 50/50 moest zijn, tenzij een goede reden voor afwijking bestond, wat hier niet het geval was. De vader moest daarom €4.585,84 aan de oudste zoon en €2.466,69 aan de jongste zoon betalen, met wettelijke rente vanaf 31 oktober 2018 toen de vader in verzuim raakte. Proceskosten werden door partijen zelf gedragen vanwege de familieverhoudingen.

Uitkomst: Vader wordt veroordeeld tot betaling van bedragen uit de spaarpolis aan zijn zoons met wettelijke rente vanaf 31 oktober 2018.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 7466207 UC EXPL 19-365 nig/1449
Vonnis van 24 december 2019
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

verder ook te noemen [voornaam van eiser sub 1] ,
2.
[eiser sub 2],
verder ook te noemen [voornaam van eiser sub 2] ,
beiden wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde: M. van der Velden (ABC Incasso B.V.),
tegen:
[gedaagde],
wonend in [woonplaats 2] ,
verder ook te noemen [gedaagde (achternaam)] senior,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. C.M.W. van den Dungen.

1.Inleiding

1.1.
[voornaam van eiser sub 1] en [voornaam van eiser sub 2] zijn de zoons van [gedaagde (achternaam)] senior en mevrouw [A] . [voornaam van eiser sub 1] is geboren op [geboortedatum 1] 1994 en [voornaam van eiser sub 2] op [geboortedatum 2] 1996. De ouders zijn gescheiden in 2002. De jongens zijn toen bij hun moeder blijven wonen.
1.2.
[gedaagde (achternaam)] senior heeft met [voornaam van eiser sub 1] problemen gekregen. Er is al meer dan tien jaar geen of nauwelijks contact meer. [voornaam van eiser sub 2] heeft later een tijdlang bij zijn vader gewoond (tot halverwege 2015). Inmiddels heeft ook hij geen of nauwelijks contact meer met zijn vader.
1.3.
De ouders hadden indertijd twee spaarpolissen bij ASR. De polis waar het hier over gaat is een ‘ABC-plan’ van Fortis ASR met polisnummer [polisnummer] . De contante waarde per 1 september 2005 was € 9.171,68.
1.4.
In een aanvullend echtscheidingsconvenant van 2005 is afgesproken dat [gedaagde (achternaam)] senior de polis zou voortzetten, maar dat die bedoeld was voor de kinderen:
Het bedrag dat tot dat moment [namelijk 1 september 2005] is gespaard, vermeerderd met de verkregen indexering op dat bedrag, zal voor de kinderen of voor een van hen worden gereserveerd ten behoeve van hun of zijn studie na het voortgezet onderwijs. Ingeval de beide kinderen (of een van hen) geen hogere opleiding zullen (zal) volgen, dan zal het gespaarde als startkapitaal voor de beide kinderen gelden.
De man zal met de vrouw en ingeval van meerderjarigheid met het meerderjarig kind/de meerderjarige kinderen overleggen waaraan het gespaarde bedrag zal worden uitgegeven.
1.5.
ASR heeft uitgekeerd in 2011. [voornaam van eiser sub 1] en [voornaam van eiser sub 2] (nu 25 en 23) willen nu uitbetaling van de verzekeringsuitkering. [gedaagde (achternaam)] senior verzet zich daartegen. In een tweede schriftelijke ronde hebben [voornaam van eiser sub 1] en [voornaam van eiser sub 2] hun eis verminderd. Daarna is de zaak nog behandeld op de zitting van 3 december 2019.
1.6.
[voornaam van eiser sub 1] en [voornaam van eiser sub 2] vorderen nu betaling van € 16.811,07 (het bedrag dat ASR aan hun vader heeft uitbetaald), plus € 3.254,68 aan wettelijke rente tot 9 januari 2019, met verdere rente en kosten.

2.Wat vindt de kantonrechter ervan?

2.1.
Het begin van deze zaak ligt in de jaren negentig, toen [voornaam van eiser sub 1] en [voornaam van eiser sub 2] kleine kinderen waren. Hun ouders zijn toen begonnen met een spaarregeling. Dat was geen vermogen van de kinderen, maar van de ouders. Die konden samen beslissen hoe ze het zouden besteden, en voor wie: voor de kinderen of toch maar gewoon voor het gezin. Die beslissing hebben zij genomen na de echtscheiding. In het convenant van 2005 hebben de ouders samen beslist dat het geld bestemd was voor de kinderen, in principe voor studiekosten en anders als ‘startkapitaal’. Aan die afspraak waren beide ouders gebonden, tegenover elkaar én tegenover de kinderen.
2.2.
Dat betekent dat [gedaagde (achternaam)] senior niet vrij was om het geld te gebruiken zoals hij verstandig vond. Hij was gebonden aan de afspraken in het convenant. Hij kon daar niet van afwijken zonder instemming van de moeder, met wie hij die afspraken gemaakt had, én van de beide zoons, voor wie het geld bestemd was. Daarbij geldt natuurlijk nog dat de zoons vóór hun meerderjarigheid die toestemming niet zelf konden geven.
2.3.
Het convenant is niet helemaal helder geformuleerd, waarschijnlijk omdat de ouders afspraken maakten voor een situatie die toen nog helemaal onbekend was. De kern is kennelijk dat de polis bedoeld was voor vervolgopleidingen voor de zoons, als zij zouden doorleren. Als zij géén vervolgopleiding zouden volgen, zou het dienen als ‘startkapitaal’. De tekst zegt niet wat er moest gebeuren als er na die vervolgopleidingen geld over zou blijven. De logische uitleg is dan dat wat overbleef ‘startkapitaal’ zou worden.
2.4.
Met de formulering hebben de ouders kennelijk geprobeerd de handen vrij te houden voor als één van de kinderen zou doorleren en het andere niet: dan konden zij het hele potje gebruiken voor de studie van die ene. Verder bevat het convenant geen afspraak voor een verdeling tussen de kinderen. Dan is de meest logische invulling van de afspraak: 50/50, tenzij er een goede reden is voor een andere verdeling.
2.5.
Uiteindelijk heeft [voornaam van eiser sub 2] een vervolgopleiding gedaan, waarvoor [gedaagde (achternaam)] senior kosten betaald heeft. Die kosten mocht hij uit het potje van de polis halen. Volgens een overzicht bij de conclusie van antwoord was dat in totaal € 2.119,15. Andere kosten van [voornaam van eiser sub 2] mocht hij niet uit het potje halen, ook niet als [voornaam van eiser sub 2] daarmee ingestemd heeft. De afspraken waren gemaakt met mevrouw [A] , en [gedaagde (achternaam)] senior had haar toestemming nodig om daarvan af te wijken. [voornaam van eiser sub 1] is begonnen aan een opleiding, maar hij heeft hem niet afgemaakt. De kosten daarvan heeft [gedaagde (achternaam)] senior echter niet betaald. Bij de verdeling van het potje spelen die dus geen rol.
2.6.
De contante waarde van de polis was in 2005 € 9.171,68. ASR heeft meer uitbetaald, maar daarvoor heeft [gedaagde (achternaam)] senior premie betaald. Dat valt tegen elkaar weg. De omvang van het potje is dus € 9.171,68. De kantonrechter ziet geen reden voor een andere verdeling dan 50/50, dus daarvan zou de helft voor [voornaam van eiser sub 1] bestemd zijn geweest en de andere helft voor [voornaam van eiser sub 2] . Dat is voor ieder € 4.585,84. De opleidingskosten van [voornaam van eiser sub 2] moeten van zijn deel worden afgetrokken. Hij heeft dus nog recht op € 2.466,69.
2.7.
[gedaagde (achternaam)] senior heeft wel gelijk dat in het convenant niets staat over uitbetalen. Er staat dat hij met mevrouw [A] en (nu zij meerderjarig zijn) de zoons zelf zou overleggen waaraan het geld zou worden uitgegeven. Op zich is dat een vrij gebruikelijke en ook verstandige regeling, omdat kinderen die net meerderjarig zijn vaak nog niet goed met geld kunnen omgaan. [voornaam van eiser sub 1] en [voornaam van eiser sub 2] zijn echter inmiddels halverwege de 20. Bovendien is overleg niet mogelijk: niet tussen [gedaagde (achternaam)] senior en zijn zoons en kennelijk ook niet met hun moeder. Dan zijn er twee mogelijkheden: het betekent ofwel dat [gedaagde (achternaam)] senior het geld dan mag houden, ofwel dat hij het dan moet uitbetalen. Dat laatste past het beste bij de verdere afspraken in het convenant. Daarom gaat dat verweer niet op.
2.8.
[voornaam van eiser sub 1] en [voornaam van eiser sub 2] vorderen de wettelijke rente vanaf 2011, toen ASR uitbetaalde. Dat klopt niet, omdat [gedaagde (achternaam)] senior op dat moment nog tot niets verplicht was. In oktober 2018 heeft [voornaam van eiser sub 1] gevraagd om uitbetaling. Op dat moment was ook duidelijk dat de zoons niet verder zouden doorleren en dat zij geen andere plannen hadden waarvoor [gedaagde (achternaam)] senior het geld in overleg met mevrouw [A] kon uitgeven. Op 31 oktober 2018 heeft [gedaagde (achternaam)] senior [voornaam van eiser sub 1] geschreven dat hij weigerde te betalen. Op dat moment was hij in verzuim. Daarom wordt de rente berekend vanaf dat moment.
2.9.
Partijen zijn vader en zoons. Zij hebben een lange en moeilijke geschiedenis met elkaar, waarin de echtscheiding van de ouders waarschijnlijk een belangrijke rol speelt. In het ontstaan van de pijnlijke situatie zoals die nu is, zullen zij alle vier een rol gespeeld hebben – welke rol, kan de kantonrechter niet beoordelen. Vanwege die familieverhouding ziet de kantonrechter geen reden voor een proceskostenveroordeling. Dat betekent dat partijen elk de eigen proceskosten moeten dragen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde (achternaam)] senior om aan [voornaam van eiser sub 1] € 4.585,84 te betalen en aan [voornaam van eiser sub 2] € 2.466,69, allebei met de wettelijke rente daarover vanaf 31 oktober 2018 tot de betaling;
bepaalt dat elke partij de eigen proceskosten moet dragen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. The-Kouwenhoven, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 24 december 2019.