Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- het proces-verbaal van de terechtzitting van 22 oktober 2019;
- de schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek van 4 november 2019 van
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen de politierechter in een strafzaak, stellende dat de rechter niet openstond voor ontlastende verklaringen en een vooringenomen houding had. Tijdens de terechtzitting zou de rechter de verdediging herhaaldelijk hebben onderbroken en ontlastende verklaringen niet hebben willen horen.
De rechter verweerde zich door te stellen dat zij de regie over de zitting voerde om de verdenking concreet te bespreken en dat de verdediging de behandeling verstoorde door herhaaldelijke onderbrekingen. De rechter ontkende vooringenomenheid en verwees naar het proces-verbaal voor de juiste weergave van haar opmerkingen.
De wrakingskamer beoordeelde het verzoek aan de hand van artikel 512 Sv Pro en het criterium van objectieve gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid. Uit het proces-verbaal en de zitting bleek geen sprake van persoonlijke vooringenomenheid of de schijn daarvan. De opmerking van de rechter werd gezien als een poging tot handhaving van orde en niet als vooringenomenheid.
Daarom concludeerde de wrakingskamer dat de rechterlijke onpartijdigheid niet in het geding is en verklaarde het wrakingsverzoek ongegrond. De zaak zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens het wrakingsverzoek.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de politierechter is ongegrond verklaard en de zaak wordt voortgezet.