Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procesgang
2.De standpunten
3.De beoordeling
4.De beslissing
- wijst af de vordering van de officier van justitie;
- wijst af het verzoek van de verdachte.
Rechtbank Midden-Nederland
De strafzaak tegen drie verdachten die worden verdacht van betrokkenheid bij de liquidatie van Jaïr Wessels in Breukelen op 7 juli 2017, wordt behandeld door de rechtbank Midden-Nederland. Het Openbaar Ministerie verzocht om de zaak over te dragen aan de rechtbank Den Haag, waar een groter onderzoek loopt naar een criminele organisatie en waar hoofdverdachten worden vervolgd voor hetzelfde feit.
De rechtbank Midden-Nederland erkent de verwevenheid tussen de zaken en het belang van één uniforme rechterlijke beoordeling, met name vanwege de verklaringen van een kroongetuige. Echter, de rechtbank stelt dat het strafvorderlijke bevoegdheidsstelsel een gesloten systeem is en dat er geen wettelijke grondslag bestaat om een lopende zaak over te dragen aan een andere rechtbank.
De rechtbank wijst ook de subsidiaire vordering af waarin het Openbaar Ministerie verzocht om een andere grondslag te vinden voor de verwijzing. Daarnaast wordt de suggestie van het Openbaar Ministerie om de zaken door rechters van beide rechtbanken gezamenlijk te laten behandelen, niet gevolgd vanwege praktische en juridische bezwaren.
De rechtbank besluit daarom de vordering van het Openbaar Ministerie en het gelijkluidende verzoek van de verdachte af te wijzen, waarmee de zaak bij de rechtbank Midden-Nederland blijft.
Uitkomst: De rechtbank Midden-Nederland wijst het verzoek van het Openbaar Ministerie tot verwijzing van de zaak naar de rechtbank Den Haag af.