ECLI:NL:RBMNE:2019:5452

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 november 2019
Publicatiedatum
19 november 2019
Zaaknummer
AWB - 19 _ 1824
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding coachingskosten universitair hoofddocent; taxikosten afgewezen

Eiseres, hoogleraar aan de Universiteit Utrecht, vordert vergoeding van taxikosten en coachingskosten. Verweerder weigerde de taxikosten te vergoeden omdat niet was aangetoond dat openbaar vervoer niet beschikbaar was, en de coachingskosten omdat het doel daarvan niet duidelijk was.

De rechtbank oordeelt dat het uitgangspunt is dat openbaar vervoer wordt gebruikt en dat de uitleg van verweerder over de beschikbaarheid van openbaar vervoer juist is. Eiseres had haar reistijd kunnen aanpassen en overleg moeten plegen bij afwijkingen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt wegens gebrek aan onderbouwing.

Ten aanzien van coachingskosten stelt de rechtbank vast dat deze sinds 2002 werden vergoed, dat het budget voor 2017 coaching omvatte en dat verweerder dit wist. Het met terugwerkende kracht weigeren van vergoeding is in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt veroordeeld tot vergoeding van de coachingskosten uit 2017 en proceskosten.

Uitkomst: Verweerder moet de coachingskosten van 2017 vergoeden, taxikosten worden niet vergoed.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 19/1824

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 november 2019 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. B.M. Jurgens),
en

het College van Bestuur van de Universiteit Utrecht, verweerder

(gemachtigde: mr. J.M.J. van de Pas).

Procesverloop

Bij besluit van 15 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft verweerder besloten de declaraties van eiseres voor taxikosten en coachingskosten niet te vergoeden.
Bij besluit van 25 maart 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 september 2019. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Tevens is namens verweerder verschenen prof. drs. [A] , decaan, en drs. [B] , faculteitsdirecteur.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan. Eiseres werkt sinds 2002 bij verweerder als Hoogleraar, [functie] .
2. Verweerder heeft aan de weigering om de declaraties van taxikosten te vergoeden ten grondslag gelegd dat eiseres niet duidelijk heeft gemaakt waarom het noodzakelijk was om de taxi te nemen bij haar buitenlandse dienstreizen en waarom zij niet met het openbaar vervoer kon reizen. Over de coachingskosten heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat eiseres niet duidelijk heeft kunnen maken waarvoor de coaching dient, zodat verweerder de declaraties niet heeft vergoed.
Taxikosten
3. Eiseres heeft aangevoerd dat zij waar mogelijk gebruik maakt van het openbaar vervoer. Verweerder zegt dat taxiritten niet gedeclareerd mogen worden tenzij sprake is van onvoorziene omstandigheden en overmacht. De voorwaarden dat sprake moet zijn van onvoorziene omstandigheden en overmacht zijn niet eerder dan in april 2018 verwoord. Wel is aan eiseres per e-mail van 8 september 2017 bevestigd dat in principe taxikosten niet declarabel zijn tenzij er geen openbaar vervoer beschikbaar is. Eiseres heeft de term beschikbaar zo begrepen dat zij taxikosten vergoed krijgt als er op het betreffende moment dat zij aankomt/vertrekt geen mogelijkheid tot gebruik van het openbaar vervoer is. Zij heeft haar vluchttijden gepland aan de hand van haar agenda en heeft daarbij geen rekening gehouden met de beschikbaarheid van het openbaar vervoer. Dit resulteert soms in vroege of late vluchten en dan is er geen openbaar vervoer meer beschikbaar. Overigens zijn die vluchten beduidend goedkoper dan vluchten overdag, zodat de kosten van een reis dan in totaal lager zijn. Eiseres was op zo’n moment aangewezen op het gebruik van de taxi en verweerder is volgens eiseres gehouden de kosten daarvan te vergoeden. Eiseres moet kunnen vertrouwen op wat met haar gecommuniceerd wordt. Het kan niet zo zijn dat in 2018 aanvullende voorwaarden worden gesteld, waardoor declaraties uit 2017 niet worden vergoed. Eiseres meent dat zij de noodzaak van het taxigebruik voldoende duidelijk heeft gemaakt door haar vliegtijden en de tijden waarop openbaar vervoer beschikbaar was inzichtelijk te maken.
Verder heeft eiseres erop gewezen dat de voorwaarden ‘onvoorziene omstandigheden’ en ‘overmacht’ bovendien niet worden genoemd in de Regeling onkostenvergoeding dienstreizen. Daar wordt gesproken over ‘indien het niet mogelijk of niet doelmatig is het reisdoel per openbaar vervoer te bereiken’.
4. Verweerder heeft, zoals ter zitting is uitgelegd, met de e-mail van 8 september 2017 bedoeld te zeggen dat taxikosten kunnen worden vergoed als er in het geheel geen openbaar vervoer beschikbaar is en vooraf met verweerder overleg is gevoerd.
5. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat tijdens een dienstreis het gebruik van openbaar vervoer het uitgangspunt is. Verder stelt de rechtbank vast dat nergens in de toepasselijke regelgeving staat dat en wanneer taxikosten voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank dient dan ook uit te gaan van wat er wél is en dat begint met de e-mail van 8 september 2017 die verweerder heeft gestuurd aan eiseres, waarin staat dat taxikosten in principe niet declarabel zijn, tenzij er geen openbaar vervoer beschikbaar is. Partijen verschillen van mening over de term ‘beschikbaar’. De uitleg van verweerder is in lijn met de bepaling in de Declaratie-instructie [1] waarin staat dat als het dienstbelang ermee gebaat is dat de werknemer naast openbaar vervoer per taxi reist, verweerder dan
kanbesluiten tot vergoeding van taxikosten op declaratiebasis of door verstrekking van een treintaxikaartje. De uitleg van eiseres, namelijk dat er
op het moment dat wordt gereisdgeen openbaar vervoer beschikbaar is, volgt niet uit (de tekst van) de e-mail. Daarnaast is niet onderbouwd waaruit kan worden afgeleid dat een dergelijke lezing voor de hand ligt of in lijn is met de bedoeling van het beleid van verweerder. Daarbij acht de rechtbank relevant dat eiseres zelf in de hand had op welk moment zij reist en in haar lezing had zij daarmee dus ook in de hand of zij met de taxi kon reizen op kosten van verweerder. Dit verhoudt zich niet met hetgeen wel bepaald is in de toepasselijke regelgeving van verweerder over het gebruik van openbaar vervoer, wat ook bekend is bij eiseres. De rechtbank is dan ook van oordeel dat voor de lezing van eiseres geen grond is te vinden in de regelgeving en dat zij op grond van wat er met haar is gecommuniceerd met inachtneming van de regelgeving, geen recht heeft op vergoeding van de taxikosten.
6. Eiseres heeft verder een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel, omdat zij het reizen van en naar Wenen al jaren zo doet en haar (taxi)kosten altijd zijn vergoed. Zij heeft haar stelling echter niet nader onderbouwd met stukken. Daarnaast heeft verweerder verklaard dat hij zich niet in deze handelwijze herkent en dat het vergoeden van taxikosten al jaren punt van discussie is bij de Universiteit Utrecht. De rechtbank komt, gelet op al wat hiervoor is overwogen en vastgesteld, tot de conclusie dat verweerder het verzoek om vergoeding van taxikosten heeft mogen afwijzen. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres gebruik had moeten maken van het aanwezige openbaar vervoer, ook als dat maakte dat zij haar vluchten hierop moest afstemmen. Indien dit laatste niet mogelijk was geweest, had eiseres hierover in overleg moeten treden met verweerder alvorens gebruik te maken van een taxi en daarvoor een declaratie in te dienen. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van verweerder niet onjuist of onredelijk is. De beroepsgronden van eiseres slagen daarom niet.
Coachingskosten
7. Eiseres heeft over de declaraties voor coachingskosten aangevoerd dat deze kosten tot 2017 altijd zijn vergoed. Het is voor eiseres noodzakelijk om op regelmatige basis een gesprek te hebben met een coach. Het maandelijks coachgesprek maakt dat eiseres haar werkzaamheden beter en efficiënter kan uitvoeren. Al vanaf het begin van haar dienstverband in 2002 ontvangt zij coaching en het declareren heeft nooit eerder ter discussie gestaan. Uiteraard kan verweerder daar op enig moment anders over denken, maar niet met terugwerkende kracht. In het budgetvoorstel voor het WODC-project zijn deze kosten gebudgetteerd en dit voorstel is goedgekeurd door de financieel directeur. Het departementshoofd heeft het contract met WODC ondertekend, waardoor eiseres ervan uit mocht gaan dat wanneer zij coachingskosten maakte deze ook zouden worden vergoed. Het kan niet zo zijn dat achteraf, nu de kosten al zijn gemaakt, de declaratie wordt geweigerd omdat niet duidelijk is waarom eiseres al vijftien jaar coaching nodig heeft. Dit klemt temeer nu in het verslag van de leidinggevende van 14 november 2018 staat ‘voortzetten coaching om balans privé en leiding [naam] vorm te geven’. De leidinggevende van eiseres heeft dus toestemming gegeven voor coaching en er is afgesproken om de coaching voort te zetten. Eiseres moet kunnen vertrouwen op de gemaakte afspraken, nu zij vanuit die afspraken kosten maakt. Het is onbehoorlijk deze vervolgens niet te vergoeden, aldus eiseres.
8. De rechtbank stelt vast dat er geen regelgeving is over het vergoeden van kosten voor coaching. Eiseres stelt dat zij sinds 2002 een coach heeft en dat de kosten hiervoor altijd door verweerder zijn betaald. Door verweerder is dat standpunt niet gemotiveerd betwist. De rechtbank stelt ook vast dat in het budget van het WODC-project een kostenpost voor coaching is opgenomen. Onbetwist is dat dat budgetvoorstel door verweerder is goedgekeurd. De rechtbank houdt het er daarom voor dat eiseres sinds 2002 coachingskosten maakte, dat verweerder dit wist en dat dit door verweerder werd vergoed. Partijen zijn het erover eens dat verweerder in de loop der tijd van gedachten mag veranderen over de vergoeding van coachingskosten. De rechtbank onderschrijft echter het standpunt van eiseres dat dit voor haar niet met terugwerkende kracht gevolgen mag hebben en vindt daarvoor steun in de vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep [2] . Hieruit blijkt dat een bestuursorgaan in beginsel een foutief besluit mag herstellen. Daarvoor geldt wel dat het besluit om te herstellen niet in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel en ook overigens geen sprake is van strijd met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of enig algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank overweegt, met inachtneming van deze jurisprudentie, dat dit in een geval als het onderhavige betekent dat verweerder een ander standpunt mag innemen over de vergoeding van kosten voor coaching, maar dat het in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel om dit met terugwerkende kracht te doen. Eiseres kan immers alleen in het verleden gemaakte kosten declareren en, zoals reeds overwogen, heeft zij in het verleden haar kosten voor coaching altijd vergoed gekregen. Zij mocht er daarom van uitgaan dat ook haar coachingskosten voor 2017 vergoed zouden worden, nu haar vooraf niet is gezegd dat dat niet meer het geval was. Het bestreden besluit is daarom op dit punt in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. De rechtbank merkt uitdrukkelijk, maar ten overvloede op dat uitsluitend een oordeel is gegeven over de vergoeding van kosten voor coaching voor het jaar 2017. In hoeverre dit relevant is voor de gedeclareerde coachingskosten voor de navolgende jaren, ligt in deze procedure niet voor.
9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij de declaratie voor de vergoeding van coachingskosten is afgewezen.
10. De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat verweerder aan eiseres de gemaakte kosten voor coaching in 2017 dient te vergoeden.
11. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.048,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).
12. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit, voor zover daarbij de declaratie voor de vergoeding van coachingskosten is afgewezen;
- bepaalt dat verweerder de door eiseres in 2017 gemaakte kosten voor coaching dient te vergoeden en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 2.048,-.
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 174,- aan eiseres te vergoeden;
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 november 2019.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

Voetnoten

1.Onder 9 van bijlage 2 bij de Declaratie-instructie Universiteit Utrecht
2.Bijv. de uitspraak van 15 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2007:BA1958