Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.ONDERZOEK TER TERECHTZITTING
2.TENLASTELEGGING
3.VOORVRAGEN
4.WAARDERING VAN HET BEWIJS
V: Op het moment dat hij schoot, hield hij het wapen toen in of buiten de auto? A: Hij kwam bij die raam, hij was dicht bij de auto. V: Was het wapen in de auto of buiten de auto? A: Ik denk dat het buiten de auto was”.De rechtbank overweegt dat deze verklaring, noch de verklaring van [slachtoffer] bij de rechter-commissaris van 17 januari 2019, zodanig stellig is dat daarmee is uitgesloten dat ook in het scenario van [slachtoffer] verdachte met het wapen in de auto is geweest. Zijn verklaring sluit immers niet uit dat verdachte zo dicht bij het open autoraam is geweest dat ook daardoor de kogelhulzen in de auto terecht zijn gekomen. De bevindingen met betrekking tot het aantreffen van de kogelhulzen dwingen dan ook niet tot de conclusie dat het door verdachte geschetste scenario zich heeft voorgedaan en dat daarom aan de verklaring van [slachtoffer] op grond van de onbetrouwbaarheid daarvan geen bewijsbetekenis zou mogen worden toegekend. De rechtbank acht de bevindingen ten aanzien van de kogelhulzen zowel passend in het scenario van aangever als in het scenario van verdachte.
5.BEWEZENVERKLARING
6.STRAFBAARHEID VAN HET FEIT
7.STRAFBAARHEID VAN VERDACHTE
8.OPLEGGING VAN STRAF
9.BENADEELDE PARTIJ
10.TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
11.BESLISSING
- wijst de vordering van [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 32.008,68, bestaande uit een vergoeding van € 2.008,68 voor materiële schade en een vergoeding van € 30.000,- voor immateriële schade;
- veroordeelt verdachte tot betaling aan [slachtoffer] van het toegewezen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2018 tot de dag van volledige betaling;
- verklaart [slachtoffer] wat betreft het meer gevorderde aan materiële schade niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering voor dat deel kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt verdachte ook in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 32.008,68 te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2018 tot de dag van volledige betaling, bij niet betaling aan te vullen met 195 dagen hechtenis;
- bepaalt dat verdachte van zijn verplichting tot het vergoeden van schade is bevrijd als hij op een van de hiervoor beschreven manieren de schade aan de benadeelde dan wel aan de Staat heeft vergoed.