Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De beoordeling
3.De beslissing
23 januari 2019.
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een Europese procedure voor geringe vorderingen tussen een Nederlandse besloten vennootschap en een Duitse gedaagde. De vordering valt binnen het toepassingsgebied van de Verordening (EG) nr. 861/2007, die grensoverschrijdende civiele en handelszaken met een waarde tot €5.000 regelt.
De kantonrechter beoordeelde de rechtsmacht op grond van Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel Ibis). Volgens artikel 7 lid 1 sub b van Pro deze verordening is de Duitse rechter bevoegd omdat de roerende zaken in Duitsland zijn geleverd. De verzoekende partij stelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is op grond van een forumkeuzebeding (artikel 25 Brussel Pro Ibis-Vo).
De kantonrechter oordeelde dat het forumkeuzebeding materieel nietig is volgens artikel 108 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat het beding in de algemene voorwaarden is opgenomen voorafgaand aan het geschil. Hierdoor heeft dit beding geen rechtsgevolg. Daarom blijft de Duitse rechter bevoegd en verklaart de Nederlandse kantonrechter zich onbevoegd.
Uitkomst: De Nederlandse kantonrechter verklaart zich onbevoegd omdat de Duitse rechter bevoegd is op grond van Brussel Ibis-Vo artikel 7 lid 1 sub b.