ECLI:NL:RBMNE:2019:4143
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Geschil over WOZ-waarde woning vastgesteld op toestandsdatum
Eiser betwistte de door verweerder vastgestelde WOZ-waarde van zijn woning voor het belastingjaar 2018, omdat hij stelde dat de woning op de waardepeildatum 1 januari 2017 nog niet gereed was en de waarde te hoog was vastgesteld.
Verweerder stelde dat de waarde moest worden bepaald op de toestandsdatum 1 januari 2018, omdat de woning toen volledig was afgebouwd en bewoonbaar was. Ter onderbouwing verwees verweerder naar de inschrijving van eiser op het adres vanaf oktober 2017.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 18 lid 3 sub b van Pro de Wet WOZ de waarde moet worden bepaald naar de staat van de woning op het begin van het kalenderjaar waarvoor de waarde wordt vastgesteld, hier 1 januari 2018. De rechtbank vond dat verweerder de waarde terecht had vastgesteld op basis van de vrij op naam prijs, bestaande uit grondwaarde plus aanneemsom, conform de waarderingsinstructie van de waarderingskamer.
De beroepsgronden van eiser werden verworpen en het beroep werd ongegrond verklaard. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de vastgestelde WOZ-waarde van de woning wordt ongegrond verklaard.