ECLI:NL:RBMNE:2019:3804

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
14 augustus 2019
Publicatiedatum
13 augustus 2019
Zaaknummer
7616491 UC EXPL 19-2890
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:171 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid voor niet-gevonden lekkage en onnodige vervanging cv-ketel

Eiser had een woonhuisverzekering bij ASR en constateerde problemen met zijn cv-installatie, waarbij de ketel snel leegliep. ASR liet een eerste onderzoek uitvoeren door een hulppersoon, [bedrijfsnaam 1], die geen lekkage vond. Eiser verving daarop de ketel, maar het lek bleef bestaan. Een tweede onderzoek door [bedrijfsnaam 2] vond later toch een lek, waarna ASR bijna alle schade vergoedde.

Eiser vorderde vergoeding voor de kosten van het deels afsluiten van leidingen en de onnodige vervanging van de ketel. ASR betaalde het eerste deel, zodat alleen de vergoeding voor de ketelrestant overbleef. De kantonrechter beoordeelde of [bedrijfsnaam 1] als hulppersoon van ASR een fout had gemaakt door het lek niet te vinden en of ASR aansprakelijk was op grond van artikel 6:171 BW Pro.

De kantonrechter oordeelde dat het niet vinden van het lek niet per definitie een fout is, omdat het opsporen van lekkages in complexe systemen moeilijk kan zijn. Het rapport van [bedrijfsnaam 1] gaf aan dat er op dat moment geen aanwijsbare lekkage was, maar hield de mogelijkheid open. Eiser had onvoldoende onderbouwd dat er sprake was van een fout of een onrechtmatige daad door [bedrijfsnaam 1]. Zonder aansprakelijkheid van de hulppersoon kon ASR niet aansprakelijk zijn. De vordering werd afgewezen en partijen droegen elk hun eigen proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot vergoeding van de kosten voor onnodige vervanging van de cv-ketel wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 7616491 UC EXPL 19-2890 nig/1449
Vonnis van 14 augustus 2019
in de zaak van
[eiser],
wonend in [woonplaats] ,
verder ook te noemen [eiser] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. C. Koot (ARAG SE),
tegen:
de naamloze vennootschap
ASR Schadeverzekering N.V.,
gevestigd in Utrecht,
verder ook te noemen ASR,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. L. Boersma.

1.Wat is er aan de hand?

1.1.
[eiser] heeft voor zijn huis een woonhuisverzekering bij ASR afgesloten. In november 2017 constateerde hij dat er iets mis was met zijn cv-installatie: de ketel liep heel snel leeg en moest steeds worden bijgevuld. [eiser] heeft contact opgenomen met ASR, omdat de verzekering dekking bood voor de schade als gevolg van een lekkage. ASR heeft [bedrijfsnaam 1] onderzoek laten doen naar een lekkage in de leidingen, maar daar is niets gevonden.
1.2.
[eiser] heeft de conclusie getrokken dat het dan aan de cv-ketel moest liggen. Hij heeft de ketel laten vervangen. Het probleem was daarmee echter niet opgelost; de lekkage ging gewoon door.
1.3.
Bij een volgend onderzoek, nu niet door [bedrijfsnaam 1] maar door [bedrijfsnaam 2] , in januari 2018 is vastgesteld dat er toch een lek zat in de leidingen. ASR heeft op grond van de verzekering inmiddels bijna alle schade vergoed.
1.4.
Deze procedure gaat over de schade die nog niet vergoed is. [eiser] vorderde € 239,40 als kosten van het deels afsluiten van de cv-leidingen, en € 675 vanwege het voortijdig vervangen van een cv-ketel. De vervanging van de ketel was dus achteraf gezien onnodig, en de ketel was nog niet afgeschreven. Verder wil hij een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten en proceskosten.
1.5.
ASR heeft schriftelijk verweer gevoerd, en de behandeling is voortgezet met een tweede schriftelijke ronde. Daarbij heeft [eiser] zijn eis verminderd met het bedrag van € 239,40 (en de daarbij behorende incassokosten), omdat ASR dat inmiddels betaald heeft. Het gaat nu dus alleen nog om € 675 voor de afschrijving van de ketel.

2.Wat vindt de kantonrechter ervan?

2.1.
De schade veroorzaakt door een lekkende cv-ketel valt doorgaans wel onder de dekking van een opstalverzekering, maar het vervangen van die ketel niet. [eiser] baseert zijn vordering vanwege het voortijdig vervangen van de ketel dan ook niet op de verzekering, maar op artikel 6:171 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW):
Indien een niet ondergeschikte die in opdracht van een ander werkzaamheden ter uitoefening van diens bedrijf verricht, jegens een derde aansprakelijk is voor een bij die werkzaamheden begane fout, is ook die ander jegens de derde aansprakelijk.
Volgens [eiser] heeft [bedrijfsnaam 1] als hulppersoon van ASR een fout gemaakt door de lekkage niet te vinden. Daardoor heeft [eiser] de logische conclusie getrokken dat het dan aan de ketel moest liggen. Daarom heeft hij de ketel vervangen, terwijl dat nog niet nodig was. Volgens hem is ASR aansprakelijk voor de schade die daarvan het gevolg is.
2.2.
ASR voert op verschillende punten verweer: was [bedrijfsnaam 1] wel een hulppersoon van ASR zoals in artikel 6:171 BW Pro bedoeld wordt, heeft [bedrijfsnaam 1] een fout gemaakt, is de schade door die fout veroorzaakt, had [eiser] zelf misschien ook schuld aan de schade? De kantonrechter begint met de belangrijkste vragen.
2.3.
De eerste vraag is, of [bedrijfsnaam 1] wel een fout gemaakt heeft. Er zat een lekkage in de leidingen, en [bedrijfsnaam 1] heeft die niet gevonden. Dat staat vast. Maar dat is niet per definitie een fout zoals de wet bedoelt. Als er in een meer of minder ingewikkeld systeem (zoals een gedeeltelijk onder de vloer liggende cv-installatie) iets mis gaat, dan is het niet altijd makkelijk om de oorzaak daarvan op te sporen. [bedrijfsnaam 1] heeft een fout gemaakt als zij de lekkage had kunnen en moeten vinden. Dat is zo als een redelijk handelend en redelijk bekwaam vakman het lek gevonden zou hebben.
2.4.
Het argument van [eiser] is dat [bedrijfsnaam 2] het lek wel gevonden heeft. Dat is natuurlijk niet voldoende, al was het maar omdat dat twee maanden later was. Overigens kon ook [bedrijfsnaam 2] de exacte plaats van het lek niet vaststellen.
2.5.
Een andere fout zou kunnen zijn als [bedrijfsnaam 1] [eiser] had meegedeeld dat er geen lek was. Dat is ook niet zo. In het rapport van [bedrijfsnaam 1] staat:
Conclusie
Er is op het moment geen aanwijsbare lekkage aanwezig, het drukverlies is te wisselend.
Advies:
de bewoners gaan eerst het drukverlies goed monitoren.
In overleg met de eigen loodgieter eventueel het gedeelte van de hal, toilet en wasmachine in de garage afkoppelen.
[bedrijfsnaam 1] heeft dus niet vastgesteld dat er geen lekkage was; alleen dat zij die op dat moment niet kon vaststellen. Uit het advies om eventueel een bepaald deel van de leidingen af te koppelen blijkt zelfs dat zij de mogelijkheid van een lekkage daar heeft opengehouden. [bedrijfsnaam 2] heeft het lek ook op die manier gevonden, zo blijkt uit haar rapport.
2.6.
[eiser] heeft dus onvoldoende onderbouwd dat [bedrijfsnaam 1] een fout gemaakt heeft. Maar ook als dat anders was, is het nog de vraag of artikel 6:171 BW Pro wel van toepassing is. ASR is sowieso alleen aansprakelijk als [bedrijfsnaam 1] zelf het ook is. [bedrijfsnaam 1] is alleen aansprakelijk tegenover [eiser] , als het niet-vinden van het lek te zien is als een onrechtmatige daad van [bedrijfsnaam 1] . Een tekortschieten in de nakoming van een verbintenis kan het namelijk niet zijn, omdat [bedrijfsnaam 1] geen overeenkomst met [eiser] had. [eiser] legt niet uit dat een eventuele fout van [bedrijfsnaam 1] een onrechtmatige daad (in de zin van de wet) tegenover hem was. Daarom gaat de kantonrechter ervan uit dat [bedrijfsnaam 1] tegenover [eiser] niet aansprakelijk is. Dan kan ASR het op grond van artikel 6:171 BW Pro ook niet zijn.
2.7.
Misschien zou ASR nog rechtstreeks aansprakelijk kunnen zijn voor het niet-vinden van het lek, als uit de verzekeringsovereenkomst voortvloeide dat ASR tegenover [eiser] verplicht was om dit probleem op te lossen. Ook dat legt [eiser] niet uit. Die mogelijkheid laat de kantonrechter dus buiten beschouwing.
2.8.
De conclusie: [eiser] heeft niet onderbouwd dat [bedrijfsnaam 1] een fout gemaakt heeft, laat staan dat ASR daarvoor aansprakelijk zou zijn. De andere verweren hoeven daarom niet meer besproken te worden. De vordering vanwege afschrijving van de ketel wordt afgewezen, evenals de bijbehorende rente en kosten.
2.9.
Omdat [eiser] voor dit gedeelte ongelijk krijgt, terwijl ASR voor het andere gedeelte heeft toegegeven, worden de kosten gecompenseerd. Dat wil zeggen dat iedere partij de eigen kosten moet dragen.

3.De beslissing

De kantonrechter:
wijst de vordering af;
compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.E. The-Kouwenhoven, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 14 augustus 2019.