Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de meervoudige kamer van 2 juli 2019 in de zaak tussen
[eiseres] B.V., te [vestigingsplaats] , eiseres
Procesverloop
Beslissing
de voorzitter is verhinderd deze uitspraak mede te ondertekenen)
Rechtbank Midden-Nederland
De werkgever heeft beroep ingesteld tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) om aan de ex-werkneemster een WIA-uitkering toe te kennen. De werkgever betoogde dat de werkneemster per 1 februari 2017 spontaan was hersteld en weer was gaan werken, waardoor de wachttijd voor de WIA-uitkering zou zijn doorbroken en de uitkering ten onrechte was toegekend.
De rechtbank stelde vast dat de werkneemster sinds 15 oktober 2014 arbeidsongeschikt was en dat de wachttijd van 104 weken op 12 oktober 2016 was verstreken. De werkgever had geen verzoek gedaan om de loonsanctie te bekorten en erkende niet de juistheid van de medische en arbeidskundige beoordelingen, maar de rechtbank zag geen aanleiding om deze te betwisten.
De rechtbank oordeelde dat artikel 52c van de Ziektewet niet leidt tot het vervallen van het recht op ziekengeld en daarmee ook niet tot het vervallen van de WIA-uitkering, omdat de wachttijd al was verstreken op het moment van de spontane werkhervatting. De werkgever legde dit artikel bovendien onjuist uit.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en bevestigde zij de toekenning van de WIA-uitkering met een arbeidsongeschiktheidsgraad van 80-100%. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de werkgever tegen de toekenning van de WIA-uitkering aan de ex-werkneemster wordt ongegrond verklaard.