De rechtbank Midden-Nederland behandelde het verzoek tot machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige geboren in 2003. Na aanvullend onderzoek door een deskundige en overleg met betrokken partijen, waaronder de Raad voor de Kinderbescherming en een gecertificeerde instelling, werd geconcludeerd dat een gesloten jeugdzorgplaatsing niet passend is. De minderjarige heeft een geschiedenis van trauma en wisselende woonplekken, maar ook beschermende factoren zoals bovengemiddelde intelligentie en motivatie.
De minderjarige heeft behoefte aan een stabiele, liefdevolle omgeving met structuur, die geboden kan worden door plaatsing bij een logeergezin met intensieve ambulante begeleiding. De behandelcoördinator en betrokken hulpverleners benadrukten het belang van goede ondersteuning voor zowel de minderjarige als het logeergezin. De Raad en de gecertificeerde instelling steunden het plan, mits de ambulante hulpverlening adequaat wordt georganiseerd.
De kinderrechter oordeelde dat de uithuisplaatsing noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van de minderjarige. De machtiging tot uithuisplaatsing werd verleend voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling tot 24 september 2019. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is ruimte voor hoger beroep binnen drie maanden.