Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Procesverloop
Overwegingen
- Een proces-verbaal van politie van 30 april 2019;
- Een proces-verbaal van politie van 11 juni 2019;
- Een constateringsrapport stadstoezicht van [A] van 29 mei 2019;
- Een constateringsrapport stadstoezicht van [A] en [B] van 29 mei 2019;
- Een constateringsrapport stadstoezicht van [C] van 31 mei 2019;
- Een inspectierapport van Veiligheidsregio Utrecht (VRU) van [D] , betreffende inspectie op 28 mei 2019.
Verweerder leidt uit het p-v van politie van 11 juni 2019 af dat er op 16 april 2019 ook minimaal 20 waterpijpen met vloeistoffen aanwezig waren. En uit het p-v van politie van 30 april 2019 blijkt dat er tegenover [handelsnaam] waterpijpen werden geleegd in een put.
Verweerder heeft na 28 mei 2019 nog onderzoek gedaan op social media. Daar blijkt volgens verweerder uit dat [handelsnaam] bekend staat als shishalounge en niet als eetgelegenheid. Het leek er volgens verweerder niet op dat [handelsnaam] een eetcafé was. Volgens verweerder is [handelsnaam] eigenlijk een shishalounge. Dat mag niet volgens verweerder. Bovendien is er sprake van een brandonveilige situatie volgens verweerder.
indrukheeft dat verzoeker niet het eetcafé heeft gerealiseerd zoals hij dat heeft geschetst bij zijn aanvraag. De aanvraag van verzoeker van 6 februari 2018 bevat niet de woorden shisha of waterpijp, terwijl shisha evident een rol van betekenis speelt in verzoekers onderneming. Tijdens het gesprek over de aanvraag op 21 februari 2018 heeft verzoeker gezegd dat er een aparte rookruimte is gecreëerd. Dit was toch wel het moment om shisha ter sprake te brengen en dat heeft verzoeker niet gedaan. Hij heeft aangevoerd dat verweerder kon weten dat shisha een mogelijkheid was, omdat dit zou blijken uit de beantwoording van een zienswijze, maar dat argument vindt de voorzieningenrechter niet bepaald overtuigend.
indrukdie hij zoals gezegd wél mocht hebben, voldoende feitelijke grondslag had voor de verstrekkende beslissing om de exploitatievergunning in te trekken. Die vraag beantwoordt de voorzieningenrechter, voorlopig oordelend, ontkennend. Verweerder heeft daarvoor te weinig onderzoek gedaan.
Daarvoor is het eenmalig controleren op een late dinsdagavond tijdens de ramadan onvoldoende. Er zullen diverse eetcafé’s zijn waar op dat tijdstip niet meer gegeten wordt, maar gasten nog wel aan het natafelen zijn. Of en in hoeverre dat bij [handelsnaam] anders is als gevolg van de ramadan heeft verweerder niet onderzocht. Zodoende kan verweerder met de huidige motivering niet overtuigend uitsluiten dat [handelsnaam] (óók) een eetcafé is. Daarbij is van belang dat uit verweerders onderzoek naar voren komt dat er wél etenswaren (‘hapjes’) zijn aangetroffen en ook dat er menukaarten aanwezig zijn met gerechten die passen bij een eetcafé.
Verweerder heeft weliswaar geïmpliceerd dat hij niet gelooft dat die gerechten daadwerkelijk worden bereid, maar voor zover verweerder dit inderdaad stelt, dient hij dit nader te motiveren. Voor zover verweerder ook heeft gemeend dat er geen borden, bestek en servetten aanwezig waren dient hij dit nader te motiveren, want dit blijkt niet uit het dossier. Verweerders conclusie dat de inrichting wijst op een shishalounge en niet op een eetcafé is ook onvoldoende gemotiveerd. Dat er een grote hoeveelheid waterpijpen, waterpijptabak en een grote kooltjesbrander is aangetroffen is daarvoor in dit geval onvoldoende, te meer daar uit één van de constateringsrapporten blijkt dat er ook een bar, een glazen koelvitrine, glaswerk, een koffiezetapparaat en een bakapparaat, een keuken met een klein aanrechtblok, een frituur en een oven, en een koelkast aanwezig waren.
de auditu-verklaring (van horen zeggen), bovendien zonder vermelding van de redenen van wetenschap. Ook het proces-verbaal van 30 april 2019, waarin verbalisanten optekenen dat zij op 29 april 2019 zien dat er door onder meer [H] , (kennelijk) bedrijfsleider bij [handelsnaam] , vier waterpijpen in een put worden geleegd, kan niet zonder nadere toelichting bijdragen aan verweerders conclusie dat de hoofdactiviteit van [handelsnaam] het aanbieden van shisha is en dat dit van meet af aan eigenlijk de bedoeling was.
postvaststelt dat daarin ook wordt gesproken over ‘lekker eten en fruitshakes’. Dat laatste heeft verweerder niet genoemd in het primaire besluit 2, terwijl dit mogelijk relevant is gezien wat hiervoor onder 13 is overwogen. Ten aanzien van deze en andere informatie op social media overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder daar gebruik van kan maken, maar dan zal hij duidelijker moeten motiveren welke informatie hij van belang vindt en op welke wijze de informatie bijdraagt aan zijn besluit.
In het verslag van de hoorzitting van 20 februari 2019 staat dat de advocaat van verzoeker op de vraag of er in het eetcafé ook shisha wordt gerookt zou hebben geantwoord dat “hiervan nadrukkelijk geen sprake is”. Deze weergave van wat is besproken is tijdens de zitting bij de voorzieningenrechter uitdrukkelijk betwist door de advocaat. Volgens de advocaat is hem gevraagd of [handelsnaam] een shishalounge zou worden, hetgeen hij heeft ontkend.
Dat uit de financiële gegevens ook naar voren komt dat ruim 80% van de omzet in de eerste maanden van 2019 voortkwam uit verkoop van etenswaren en frisdrank, zal verweerder kunnen betrekken bij de te maken nadere beoordeling van de feitelijke situatie. Hierbij merkt de voorzieningenrechter op dat verweerder de juistheid van de financiële gegevens tot nu toe enkel heeft betwist door te stellen dat [handelsnaam] een shishalounge is.
Tussenconclusie artikel 1:6, aanhef en onder a, van de APV.
De voorzieningenrechter stelt verder vast dat verweerder geen belangenafweging heeft gemaakt, wat hij wel behoort te doen. Weliswaar heeft verweerder ter zitting gesteld dat verzoeker alleen een financieel belang heeft, maar verweerder heeft daarmee nog niet voldoende onderzocht en toegelicht of intrekking van de exploitatievergunning, gezien de belangen van zowel verzoeker als verweerder, noodzakelijk was of dat een ander (lichter) middel, waaronder wijziging van de vergunning of de daaraan verbonden voorschriften, wellicht toereikend zou kunnen zijn.
Aangezien op dit moment de bezwaarprocedure nog loopt, kan verweerder nader onderzoek doen naar de feitelijke gang van zaken bij [handelsnaam] en de ontbrekende belangenafweging alsnog verrichten. Het is niet uitgesloten dat de geconstateerde gebreken in bezwaar te herstellen zijn, maar op dit moment luidt het voorlopig oordeel dat het besluit niet met toepassing artikel 1:6, aanhef en onder a, van de APV kon worden genomen.
Artikel 1:6, aanhef en onder b, van de APV.
De voorzieningenrechter is voorlopig verder van oordeel dat de grondslag voor intrekking van de exploitatievergunning wegens het levensgedrag van verzoeker met toepassing van artikel 1:6 van Pro de APV ontbreekt, nu levensgedrag van een exploitant als zodanig niet als intrekkingsgrond staat vermeld. Overigens valt niet uit te sluiten, zoals verzoeker ter zitting ook heeft aangevoerd, dat het criterium ‘slecht levensgedrag’ onverbindend is vanwege strijd met de Dienstenrichtlijn. [5]
Tussenconclusie artikel 1:6, aanhef en onder b, van de APV.
Hierbij komt dat ook ten aanzien van deze intrekkingsgrond, verweerder geen belangenafweging heeft gemaakt.
Ook hierbij geldt dat het niet is uitgesloten dat de geconstateerde gebreken in bezwaar te herstellen zijn, maar op dit moment luidt het voorlopig oordeel dat het besluit niet met toepassing artikel 1:6, aanhef en onder b, van de APV kon worden genomen.
Artikel 1:6, aanhef en onder c, van de APV, tussenconclusie.
Verweerder heeft desgevraagd verwezen naar het Beleid als grondslag voor de vergunningvoorwaarde. Verweerder heeft hierbij niet kunnen aanwijzen wat de wettelijke grondslag is voor het aanmerken van de beleidsregels als vergunningvoorwaarden. In het Beleid, dat na verlening van de vergunning in werking is getreden, is vermeld dat leidinggevenden aanwezig moeten zijn in de onderneming. Voor zover deze verwijzing al zou kunnen leiden tot de conclusie dat het gaat om aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen, overweegt de voorzieningenrechter dat uit het Beleid waarnaar verweerder verwijst ook volgt dat éérst een waarschuwing wordt gegeven. Met verzoeker is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet op deze grond tot intrekking van de vergunning kan worden overgegaan. Dat tegen de bij [handelsnaam] aangetroffen broer van verzoeker een eerder handhavingstraject heeft gelopen vanwege een shisha-gerelateerde kwestie en dat een andere lokaliteit voor bepaalde tijd is gesloten met toepassing van artikel 2.50a van de APV, maakt het voorgaande niet anders.
Verweerders toelichting ter zitting dat het de bedoeling was van de gemeenteraad om dit onderdeel van de APV alleen te laten zien op coffeeshops, zou heel wel juist kunnen zijn. Dit blijkt echter niet uit de tekst of de toelichting van de APV. Weliswaar wijst verweerder er terecht op dat het in artikel 2.27, aanhef en onder d, van de APV specifiek over ‘shishabar’ gaat, maar daarmee is nog niet duidelijk of het aanbieden van shisha/waterpijpen mogelijk onder beide bepalingen valt en of het uitmaakt of shisha als hoofdactiviteit wordt aangeboden, of als nevenactiviteit in combinatie met (bijvoorbeeld) een eetcafé.
Het voorgaande betekent niet dat er geen andere redenen kunnen zijn waarom shisha niet (op de wijze zoals nu het geval) kan worden aangeboden in het horecabedrijf. Dit laat de voorzieningenrechter verder in dit verband buiten beschouwing, omdat hij anders terecht komt op de stoel van het bestuur.
Brandveiligheid
Verder heeft verweerder overwogen dat het aannemelijk is dat shishalounges (ondermijnende) criminaliteit aantrekken en/of kunnen fungeren als ontmoetingsplaats voor criminelen en daarmee een gevaar opleveren voor de openbare orde en het woon- en leefklimaat kunnen aantasten.
Conclusie ten aanzien van het primaire besluit 1
Het is vervolgens aan het openbaar bestuur om te bepalen of en zo ja, welke maatregelen nodig zijn in het belang van de openbare orde en veiligheid – meer specifiek de brandveiligheid. De voorzieningenrechter adviseert hierbij goed te letten op de proportionaliteit en subsidiariteit van de te nemen maatregelen.
Omdat verweerder heeft aangekondigd dat de besluiten op bezwaar spoedig worden verwacht en omdat verzoeker heeft aangegeven dat slechts 7% van zijn omzet uit het aanbieden van shisha voortkomt weegt het belang van de veiligheid en gezondheid in [handelsnaam] op dit moment zwaarder dan verzoekers belang om shisha te kunnen aanbieden.
De voorziening zal inhouden dat [handelsnaam] wel open kan, maar er mag geen shisha/waterpijp worden aangeboden.
Eindconclusie ten aanzien van beide verzoeken (UTR 19/2133 en UTR 19/2404).
Verweerder kan wellicht een groot deel van de geconstateerde gebreken in de besluitvorming repareren in de bezwaarfase. Het is op dit moment dus niet zeker dat [handelsnaam] ook in nabije toekomst open kan blijven. Voor nu is de beslissing echter dat [handelsnaam] open mag vanaf twee dagen na verzending van de uitspraak, onder de hiervoor onder 47 geschetste beperking dat waterpijpen/shisha niet zijn toegestaan.
Beslissing
- schorst het primaire besluit 1 vanaf maandag 22 juli 2019 te 13.30 uur tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op de bezwaren van verzoeker;
- schorst het primaire besluit 2 tot zes weken na de bekendmaking van de beslissing op de bezwaren van verzoeker;
- bepaalt dat het verzoeker niet is toegestaan shisha/waterpijpen aan te (laten) bieden in [handelsnaam] ;
- verbiedt het gebruik van de door de VRU omschreven kolenkachel in [handelsnaam] ;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 348,- aan verzoeker te vergoeden;