ECLI:NL:RBMNE:2019:3044

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
28 juni 2019
Publicatiedatum
5 juli 2019
Zaaknummer
C/16/483347 / FL RK 19-1174
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 Wet BOPZArt. 20 Wet BOPZArt. 5 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voortzetting inbewaringstelling wegens niet-onafhankelijk medisch onderzoek

De officier van justitie verzocht de rechtbank om een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van betrokkene te verlenen. De geneeskundige verklaring waarop dit verzoek was gebaseerd, was opgesteld door een arts in opleiding tot specialist (ANIOS) die betrokken was geweest bij de behandeling van betrokkene, onder meer door het voorschrijven van medicatie.

Betrokkene voerde aan dat de verklaring niet voldeed aan de wettelijke eisen omdat het onderzoek niet door een onafhankelijke arts was verricht. De rechtbank oordeelde dat het voorschrijven van psychofarmaca als behandeling geldt en dat de arts daardoor niet onafhankelijk was. Er was ook geen sprake van een acute noodsituatie die het onderzoek door een andere arts onmogelijk maakte.

Op grond van artikel 21, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ) en jurisprudentie van de Hoge Raad en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is vereist dat een niet-behandelend arts de betrokkene persoonlijk onderzoekt. De rechtbank concludeerde dat aan deze vereisten niet was voldaan en verklaarde de officier van justitie niet-ontvankelijk in het verzoek tot voortzetting van de inbewaringstelling.

Uitkomst: De rechtbank wees het verzoek tot machtiging voortzetting inbewaringstelling af wegens het ontbreken van een onafhankelijke medische verklaring.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Afdeling familierecht
Locatie Lelystad

zaak/rekestnr.: C/16/483347 / FL RK 19-1174

datum uitspraak: 28 juni 2019

Machtiging tot voortzetting inbewaringstelling

Op het verzoek van de officier van justitie van 27 juni 2019 tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling van:

[betrokkene] ,

geboren op [geboortedatum] 1991,
wonende te [adres] , [woonplaats] ,
verblijvende in [verblijfplaats] te [plaatsnaam] .
De rechtbank heeft kennisgenomen van de bij het verzoek overgelegde stukken, waaronder afschriften van de beschikking van de burgemeester van de gemeente [..] van 26 juni 2019 en van de geneeskundige verklaring als bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (BOPZ).
De rechtbank heeft gehoord:
- de betrokkene,
- mr. M.W. Veldhuijsen, advocaat van betrokkene,
- de heer [A] , arts.
Door het horen van de hierboven genoemde personen, in samenhang met de overgelegde stukken, acht de rechtbank zich in voldoende mate voorgelicht.
De rechtbank overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 21, eerste lid van de Wet Bopz, gelast een burgemeester een inbewaringstelling niet dan nadat een, bij voorkeur niet-behandelend, psychiater of, zo dat niet mogelijk is, een, bij voorkeur niet-behandelend arts, niet psychiater zijnde, een schriftelijke verklaring heeft verstrekt waaruit met inachtneming van het bepaalde in het tweede en derde lid, blijkt dat het geval, bedoeld in artikel 20, tweede lid, zich voordoet.
De leden 1 en 2 van art. 21 laten Pro de mogelijkheid open dat de burgemeester een inbewaringstelling gelast op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, en wel indien het niet mogelijk is dat een psychiater de verklaring verstrekt. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad en rechtspraak van het EVRM blijkt dat met betrekking tot vrijheidsontneming van een persoon met geestesstoornis vereist is dat betrokkene persoonlijk is onderzocht door een "objective medical expert" behoudens als er sprake is van een noodsituatie. In een geval waarin de inbewaringstelling gelast is op basis van een schriftelijke verklaring van een arts die geen psychiater is, brengt de bepaling van art. 5 lid Pro 1, aanhef en onder e, EVRM dan ook mee dat de rechter, een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling slechts mag verlenen na te hebben kennisgenomen van een schriftelijke verklaring (een zogenaamde Varbanov verklaring) van een niet behandelend psychiater die persoonlijk de betrokkene na diens inbewaringstelling heeft onderzocht.
De geneeskundige verklaring op basis waarvan de burgemeester de last tot inbewaringstelling heeft gegeven is opgesteld en ondertekend door ANIOS de heer [B] . Na het opmaken heeft de psychiater drs. [C] betrokkene onderzocht en een aanvulling op de geneeskundige verklaring opgesteld. De officier van justitie heeft op 27 juni 2019 onder overlegging van diezelfde geneeskundige verklaring de rechtbank verzocht een machtiging te verlenen tot voortzetting van de inbewaringstelling. Ter zitting heeft betrokkene het verweer gevoerd dat de geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke vereisten voldoet omdat het onderzoek niet is verricht door een onafhankelijke arts. Betrokkene stelt zich, kort samengevat, op het standpunt dat de door de burgemeester gegeven last tot inbewaringstelling onrechtmatig was, omdat de geneeskundige verklaring niet is opgesteld door een onafhankelijke, dat wil zeggen niet bij de behandeling betrokken, arts. Betrokkene heeft primair gesteld dat de heer [B] is betrokken geweest bij de behandeling en niet objectief en onafhankelijk is. De heer [B] is bij een eerdere behandeling van het verzoek tot voortzetting van de machtiging inbewaringstelling van de rechtbank aanwezig geweest en heeft na deze zitting een verhoging van de medicatie voorgeschreven aan betrokkene.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de geneeskundige verklaring die ten grondslag ligt aan het verzoek niet aan de eisen voldoet die de Wet BOPZ daaraan verbindt. De geneeskundige verklaring is opgesteld door de heer [B] , arts in opleiding tot specialist. De rechtbank heeft de overtuiging dat de heer [B] voorafgaand het opmaken van de geneeskundige verklaring betrokken is geweest bij de behandeling. Het standpunt van de arts ter zitting dat de heer [B] alleen een zitting heeft bijgewoond en een ophoging van de medicatie heeft afgesproken en verder niet betrokken is bij de behandeling van betrokkene volgt de rechtbank niet. Het voorschrijven van medicatie (psychofarmaca) is in algemene zin te beschouwen als een vorm van behandeling. De stoornis van betrokkene wordt immers met deze medicatie behandeld. Daarnaast is ook niet gebleken dat er sprake is geweest van een dusdanige acute noodsituatie dat het onderzoek niet door een andere onafhankelijke arts mogelijk was.
Gezien het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de geneeskundige verklaring niet aan de wettelijke eisen voldoet. De rechtbank zal de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaren in het verzoek.

De rechtbank:

verklaart de officier van justitie niet ontvankelijk in het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. P.R. Tjallema, rechter, in bijzijn van J.A.R. Bastiaans als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 juni 2019 en schriftelijk uitgewerkt en ondertekend op