4.3Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat verdachte het aan hem onder 1 primair en onder 2 ten laste gelegde heeft begaan.
De rechtbank gaat op grond van de wettige bewijsmiddelen van de volgende feiten en omstandigheden uit.
Ten aanzien van feit 1 primair (poging tot zware mishandeling)
Een proces-verbaal van aangifte
Feit : Doodslag/moord (poging)
Plaats delict : Utrecht
Op 10 augustus 2018 verscheen een persoon die mij opgaf te zijn:
Achternaam : [nummer]
Hij deed aangifte en verklaarde het volgende.
Op 9 augustus 2018 was ik politieambtenaar werkzaam onder dienstnummer [dienstnummer] belast met de aanhouding van verdachte [verdachte] . Dit vond plaats op het adres van de verdachte gelegen aan de [adres] te [woonplaats] .
Bij deze aanhouding werd ik aangevallen met een mes die de verdachte in zijn hand
vasthield. Ik was uitgerust met een schild waardoor ik de aanval grotendeels kon
afwenden. De verdachte maakte een zwaaiende beweging met zijn rechterarm om het
schild heen in de richting van mijn bovenlichaam. In zijn rechterhand hield hij een
mes vast en raakte mij in mijn linker elle boog. Hierdoor ontstond een steekwond in
mijn elleboog die in het ziekenhuis gehecht diende te worden. Tevens raakte mijn
dienstkleding beschadigd. Voor de aanhouding had ik geen letsel en was mijn kleding
nog onbeschadigd en in tact.
Ik zag dat hij bewust een zwaaiende beweging met het mes in zijn hand om het
schild heen maakte met als doel mij te verwonden, lichamelijk letsel toe te brengen
dan wel om het leven te brengen.
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
Proces-verbaal van bevindingen van [dienstnummer]
Op 9 augustus 2018 was ik, samen met collega’s [dienstnummer] , [dienstnummer] , [dienstnummer] ,
214 en 207 belast met de aanhouding van verdachte [verdachte] .
Ik zag dat [verdachte] vanuit rechts in de deuropening kwam. Ik zag dat hij in elke hand een mes vast hield en in onze richting keek.
Ik zag dat [verdachte] zijn rechterarm om het schild van [dienstnummer] boog. Ik zag dat [verdachte] in zijn rechterhand een mes vast hield en hiermee de linkerarm van [dienstnummer] raakte.
Een geneeskundige verklaring
Betreft: Medische informatie
Patiënt: [dienstnummer] , [nummer]
Samengevat:
Bovenstaande patiënt ( [dienstnummer] , [nummer] ) is door mij behandeld op 9 augustus 2018 op de Huisartsenpost Utrecht stad, i.v.m. een steekwond aan de arm.
1. De wond was geschat 1,5 cm breed en de wond was oppervlakkig gelacereerd (tot op de subcutis)
2. 2- tal hechtingen
3. Er was sprake van oppervlakkig letsel, volledig neurovasculair intact.
Bewijsoverweging
De rechtbank acht op grond van de weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met een mes een zwaaiende beweging heeft gemaakt in de richting van het bovenlichaam en de arm van het slachtoffer. Door op een korte afstand een zwaaiende beweging te maken met een mes in de richting van het bovenlichaam dan wel een arm, waarbij het slachtoffer ook daadwerkelijk in zijn arm is gestoken, heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat aangever zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Bij het raken van het bovenlichaam dan wel de arm hadden immers gemakkelijk kwetsbare lichaamsdelen als spieren, pezen en slagaders geraakt kunnen worden, ten gevolge waarvan zwaar lichamelijk letsel kan ontstaan. De handelingen zijn daarmee uitvoeringshandelingen van een poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank acht daarom bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling.
Ten aanzien van feit 2 (bedreiging)
Proces-verbaal van bevindingen van brigadier [politieambtenaar]
Op 9 augustus 2018 kwamen wij ter plaatse op de [adres] te [woonplaats] . Ik hoorde dat de verdachte genaamd [verdachte] in zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] was. Dat hij daar alleen was en dat de deur dicht was. Ik hoorde van een begeleider dat [verdachte] met twee messen in zijn hand andere bewoners had bedreigd. Ik hoorde dat de medewerkster van het operationeel centrum aan gaf dat [verdachte] voorkomt ter zake meerdere geweldsdelicten waaronder: mishandeling, poging doodslag, doodslag en poging moord.
Ik liep achter mijn schild richting de voordeur van de woning van verdachte [verdachte] . Op het moment dat wij de voordeur wilde openen kwam verdachte [verdachte] door de gang richting de voordeur lopen. Ik heb meerdere keren luidkeels geroepen: ‘Politie, laat je handen
zien’. Ik zag dat verdachte [verdachte] hier niet op reageerde. Ik zag door de ruit naast de voordeur dat hij een mes in beide handen had. Ik zag dat beide messen een lemmet hadden van ongeveer 10 a 15 centimeter lang. Ik zag dat terwijl de voordeur nog dicht was, verdachte [verdachte] , achter het glas, met de messen meerdere stekende bewegingen maakte in de richting van mijn hoofd. Ik keek verdachte [verdachte] recht in zijn ogen aan. Ik zag dat verdachte [verdachte] een zeer verwarde indruk maakte. Ik was bang dat als de deur open zou gaan, verdachte [verdachte] mij of mijn collega’s zou neersteken. Ik wilde mijn collega Roseboom zeggen dat hij de deur niet moest openen. Alvorens ik dat kon doen was de deur al open. Ik zag dat verdachte [verdachte] in de deuropening stapte met de messen in beide handen.
Proces-verbaal van aangifte
Feit : Bedreiging
Plaats delict: : Utrecht
Op 10 augustus 2018 verscheen een persoon die mij opgaf te zijn:
Achternaam : [politieambtenaar]
Hij deed aangifte en verklaarde het volgende over het incident dat plaatsvond op 9 augustus 2018.
Dit betreft een fake aangifte. Ik verwijs voor meer informatie naar de apart opgemaakt proces-verbaal van bevindingen onder procesnummer 2018231672-2. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.
Proces-verbaal van bevindingen van [verbalisant 1] en [verbalisant 2]
Op 9 augustus 2018 hoorden wij dat aan de [adres] te [adres] een man met 2 grote messen stond te zwaaien. Wij waren kort na de melding ter plaatse op de locatie. Wij hebben een plan gemaakt ter aanhouding van verdachte [verdachte] . Dit deden wij met collega’s [politieambtenaar] , [verbalisant 3] en [verbalisant 4] . Wij zagen dat verdachte in de deuropening stond met 2 messen in zijn handen. Hij werd luidkeels meerdere malen aangeroepen door collega [politieambtenaar] dat hij het mes moest laten vallen. Wij zagen dat hij hieraan niet voldeed, wij zagen en hoorden hem schreeuwen. Wij zagen dat hij stekende bewegingen richting ons maakte.
Conclusie
Op grond van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat onder de gegeven omstandigheden door het handelen van verdachte bij aangever in redelijkheid de vrees kon ontstaan dat hij het leven zou verliezen. De rechtbank acht de onder 2 ten laste gelegde bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dan ook wettig en overtuigend te bewijzen.