ECLI:NL:RBMNE:2019:2897
Rechtbank Midden-Nederland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Uitstel van voorwaardelijke invrijheidstelling wegens nieuwe veroordeling tijdens detentie
De veroordeelde is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 5 jaar en 11 maanden, waarvan de tenuitvoerlegging in augustus 2015 is gestart. Volgens artikel 15 van Pro het Wetboek van Strafrecht zou hij op 12 juli 2019 voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld. De officier van justitie verzocht echter om uitstel van deze invrijheidstelling met 180 dagen vanwege een nieuwe veroordeling van de veroordeelde op 22 mei 2018 voor meerdere bedreigingen, waarvoor hij een gevangenisstraf van 1 maand kreeg.
De rechtbank behandelde de vordering op 12 juni 2019, waarbij de officier van justitie zijn verzoek handhaafde en de raadsman van de veroordeelde betoogde dat het uitstel niet gerechtvaardigd was. De raadsman voerde aan dat het enkele feit van een nieuwe veroordeling onvoldoende is en dat de veroordeling nog niet onherroepelijk is vanwege cassatie. Tevens stelde hij dat het uitstel feitelijk een strafverzwaring betekent, wat onredelijk is.
De rechtbank oordeelde dat op grond van artikel 15d Wetboek van Strafrecht uitstel van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan worden toegewezen indien de veroordeelde zich zeer ernstig heeft misdragen, wat hier blijkt uit de nieuwe veroordeling. De niet-onherroepelijkheid van die veroordeling doet hieraan niet af. Ook leidt het uitstel niet tot strafverzwaring omdat het om verschillende procedures gaat. De belangen van de veroordeelde en zijn kinderen zijn onvoldoende zwaarwegend om het uitstel te weigeren.
De rechtbank besloot daarom de vordering van de officier van justitie toe te wijzen en stelde de voorlopige invrijheidstellingsdatum vast op 8 januari 2020.
Uitkomst: De rechtbank stelt de voorwaardelijke invrijheidstelling uit met 180 dagen vanwege een nieuwe veroordeling tijdens detentie.