Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.Het procesverloop
- het verzoekschrift;
- het verweerschrift;
- de mondelinge behandeling op 13 mei 2019
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Midden-Nederland
Verzoekster, een commanditaire vennootschap, verzoekt goedkeuring van een afwijkend huurbeding in een huurovereenkomst voor bedrijfsruimte, waarbij de initiële huurperiode is verlengd van twee naar 3,5 jaar. Verweerster huurt de bedrijfsruimte sinds 1 januari 2016 en betwist het verzoek op grond van artikel 7:301 lid 3 BW Pro, dat vereist dat een verzoek tot goedkeuring vóór het verstrijken van de initiële huurperiode van twee jaar wordt ingediend.
Tijdens de mondelinge behandeling voert verzoekster aan dat het beroep van verweerster op deze wetsbepaling misbruik van recht oplevert of onaanvaardbaar is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid, omdat verweerster zelf om verlenging heeft gevraagd en pas na het verstrijken van de termijn zich op de wetsbepaling beroept.
De kantonrechter oordeelt dat verzoekster niet ontvankelijk is omdat het verzoek te laat is ingediend en dat er geen sprake is van misbruik van recht door verweerster. Het beroep op een dwingendrechtelijke wetsbepaling is niet onaanvaardbaar. Verzoekster wordt veroordeeld in de proceskosten van verweerster.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet ontvankelijk verklaard in haar verzoek tot goedkeuring van het afwijkend huurbeding en veroordeeld in de proceskosten.