Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
4.De beoordeling
5.De beslissing
woensdag 12 juni 2019 te 9.30 uur, waar NSR zich schriftelijk dient uit te laten omtrent hetgeen onder 4.13 is overwogen;
Rechtbank Midden-Nederland
De zaak betreft een werknemer van NS Reizigers die aanspraak maakt op betaling van onregelmatigheidstoeslag (ORT) over bovenwettelijke vrije uren, die volgens de cao niet als vakantiedagen worden beschouwd en waarvoor geen ORT wordt betaald. De werknemer vordert een verklaring voor recht dat deze cao-afspraak in strijd is met dwingend recht en betaling van de achterstallige ORT.
De kantonrechter stelt vast dat de bovenwettelijke vrije uren in de cao gelijkgesteld moeten worden aan vakantiedagen in de zin van artikel 7:634 BW Pro, omdat zij dienen voor herstel en ontspanning en de werknemer gedurende deze uren is ontheven van zijn arbeidsplicht met behoud van loon. De mogelijkheid om vrije uren via een keuzebudget in te wisselen doet hieraan niet af.
Vervolgens oordeelt de kantonrechter dat de cao-afspraak die uitsluit dat ORT over deze vrije uren wordt betaald, nietig is omdat deze in strijd is met het dwingende recht van artikel 7:639 BW Pro. Ook de vaststellingsovereenkomst tussen NSR en vakbonden kan deze rechten van de individuele werknemer niet beperken. De kantonrechter veroordeelt NSR tot betaling van ORT over de bovenwettelijke vrije uren vanaf 1 mei 2018 zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt, met correcte pensioenafdracht. Betaling over de periode mei 2012 tot mei 2018 wordt aangehouden voor nadere onderbouwing. Hoger beroep is toegestaan.
Uitkomst: NS Reizigers moet onregelmatigheidstoeslag betalen over bovenwettelijke vrije uren vanaf 1 mei 2018 zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt.