Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
5.De beslissing
woensdag 12 juni 2019 te 9.30 uur, waar NSR zich schriftelijk dient uit te laten omtrent hetgeen onder 4.14 is overwogen;
Rechtbank Midden-Nederland
De werknemer is sinds 1997 in dienst bij NS Reizigers en heeft aanspraak op wettelijke vakantiedagen en bovenwettelijke vrije uren. Een geschil ontstond over de betaling van onregelmatigheidstoeslag (ORT) over deze bovenwettelijke vrije uren. NS Reizigers verweerde zich met een vaststellingsovereenkomst met vakbonden waarin was afgesproken dat geen ORT over bovenwettelijke vrije uren verschuldigd zou zijn.
De kantonrechter stelt vast dat de bovenwettelijke vrije uren kwalificeren als vakantiedagen in de zin van artikel 7:634 BW Pro, omdat zij de werknemer ontheffen van arbeid met behoud van loon en dienen ter ontspanning en herstel. De mogelijkheid om deze uren in te ruilen voor andere arbeidsvoorwaarden doet hieraan niet af.
Verder oordeelt de kantonrechter dat de vaststellingsovereenkomst tussen NS Reizigers en de vakbonden niet bindend is voor de individuele werknemer en geen afbreuk kan doen aan diens rechten op grond van dwingend recht. De cao-bepaling die geen ORT over bovenwettelijke vrije uren toekent, is nietig. NS Reizigers is daarom verplicht ORT over deze uren te betalen.
De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van ORT over de bovenwettelijke vrije uren vanaf 1 mei 2018 toe en stelt partijen in de gelegenheid om het achterstallig loon nader te onderbouwen. Het vonnis staat open voor tussentijds hoger beroep.
Uitkomst: NS Reizigers moet onregelmatigheidstoeslag betalen over bovenwettelijke vrije uren vanaf 1 mei 2018 en de vaststellingsovereenkomst die dit uitsluit is nietig.