Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
[verzoekster] , te [vestigingsplaats] , verzoekster
Procesverloop
Beslissing
- verklaart het beroep gegrond;
Overwegingen
Inleiding
Spoedeisend belang en kortsluiting
Verweerder heeft verder bevestigd dat het toewijzen van tijdelijke huisvesting voor [basisschool 2] het gevolg is van een aanvraag die deze school heeft ingediend. Het gaat om een aanvraag om renovatie van haar eigen schoolgebouw. Deze renovatie is vervolgens opgenomen in het Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2016-2024 van de gemeente Utrechtse Heuvelrug. Verweerder heeft de aanvraag om toekenning van een budget om te renoveren ingewilligd en daarbij heeft hij ook een nevenbeslissing genomen over de tijdelijke huisvesting voor [basisschool 2] , omdat het de plicht van verweerder is om in huisvesting van scholen te voorzien. Dit heeft vervolgens geleid tot zijn keuze om gebruik te maken van de leegstand in het schoolgebouw. Dat er sprake is van leegstand is voor verweerder een feit, omdat het grondoppervlak van het schoolgebouw 968 m² is en [basisschool 1] geen recht heeft op dat aantal vierkante meters. In zoverre ligt er dus, anders dan eiseres betoogt, wel een aanvraag om huisvesting van derde partij.
De vraag is of verweerder zich op het standpunt mocht stellen dat hij een deel van het schoolgebouw vordert ten gunste van de tijdelijke huisvesting van [basisschool 2] . Als dat het geval is dan kan de voorzieningenrechter het beroep gegrond verklaren met het in stand laten van de rechtsgevolgen. Dat wil dan dus zeggen dat de uitkomst van het bestreden besluit, dat [basisschool 1] tijdelijk moet inschikken voor [basisschool 2] , blijft staan.
Verweerder is in het primaire besluit terecht uitgegaan van het aantal leerlingen op het telmoment 1 oktober 2017, omdat dat besluit ziet op toedeling voor het schooljaar 2018/2019. Verweerder heeft bij heroverweging niettemin rekening gehouden met het aantal leerlingen dat op 1 oktober 2018 is ingeschreven, zodat rekening is gehouden met de situatie voor het schooljaar 2019/2020. Op grond van de Verordening en bijlage III, onderdeel b, heeft verweerder terecht rekening gehouden met deze telmomenten. Verweerder heeft er verder terecht op gewezen dat als er op 1 oktober 2019 meer leerlingen zijn en er daardoor behoefte is aan uitbreiding, deze op grond van de Verordening en bijlage III, onderdeel c, pas toegewezen kan worden wordt als het berekende tekort groter is dan 100 m2 en dat eiseres in dat geval een aanvraag voor uitbreiding kan indienen. Omdat het medegebruik tijdelijk van aard is en korter dan een jaar zal duren, heeft verweerder kunnen volstaan met het berekenen van de huisvestingsbehoefte voor het schooljaar 2019/2020 op basis van het telmoment 1 oktober 2018. Verweerder heeft geen prognose hoeven maken voor een langere periode dan de periode waarop het medegebruik ziet.
Ook onderschrijft de voorzieningenrechter het standpunt van eiseres niet dat aan haar, door het medegebruik van de gemeenschappelijke ruimtes, feitelijk minder vierkante meters zijn toegekend dan 487,2 m². Dat [basisschool 1] gemeenschappelijke ruimtes zal moeten delen met [basisschool 2] maakt namelijk niet dat zij geen beschikking heeft over die ruimtes voor het geven van onderwijs aan haar leerlingen.
Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat in het schoolgebouw volgens een eerder verleende omgevingsvergunning veilig les gegeven kan worden aan 210 leerlingen. De voorzieningenrechter kent deze vergunning niet, maar eiseres heeft dit niet weersproken, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van verweerders verklaring. De veiligheid van het schoolgebouw is dus niet in geding door de toename van het aantal leerlingen. Eiseres stelt dat het schoolgebouw een slooppand zou zijn, maar dat heeft zij niet onderbouwd. Verweerder is het daarmee ook niet eens en heeft in elk geval niet de intentie om het pand te slopen. Ook de staat waarin het schoolgebouw nu volgens eiseres verkeert, geeft haar dus geen extra recht op ruimte.
Eiseres heeft ook moeite met de besluitvorming en manier van communicatie in de zomer van 2018. Het primaire besluit is door verweerder op een onhandig tijdstip, namelijk in de zomervakantie genomen, en hij heeft daar direct uitvoering aan willen geven. [basisschool 1] voelde zich hierdoor begrijpelijkerwijs overvallen en voor het blok gezet. Dit benadrukt het belang van een zorgvuldige voorbereiding van het besluit en een goede uitvoering van artikel 24 van Pro de Verordening. Door dit ongelukkige begin van het beoogde medegebruik van het schoolgebouw, is een verkeerde toon gezet. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de besluitvorming in deze fase onhandig is verlopen.
Dat neemt niet weg dat verweerder in bezwaar wel met eiseres heeft overlegd en dat eiseres voldoende op de hoogte was van wat er speelde. Eiseres betoogt dat zij zich ook overvallen voelt door de besluitvorming in bezwaar en zich opnieuw voor een voldongen feit ziet staan. Hierin volgt de voorzieningenrechter haar niet. Het moet voor eiseres, gelet op het gevoerde overleg, duidelijk zijn geweest dat zij de school moest gaan delen met [basisschool 2] . Dat er nog ruimte was om te praten over het medegebruik van bepaalde ruimtes en de mogelijke toewijzing van een extra klaslokaal, maakt niet dat de inhuizing van [basisschool 2] dus van de baan was en eiseres erop mocht vertrouwen dat er niets meer zou gebeuren. De voorzieningenrechter wijst op de verslagen van de overleggen van 11 februari en 13 maart 2019, die er niet op wijzen dat verweerder afzag van de vordering van het schoolgebouw voor medegebruik. Eiseres had er rekening mee kunnen en moeten houden dat [basisschool 2] in of kort voor de meivakantie, het moment waarop de renovatie van haar eigen schoolgebouw zou starten, zou verhuizen. Eiseres had daar, samen met [basisschool 2] op kunnen en ook moeten anticiperen door met elkaar in overleg te gaan hoe dit praktisch vorm zou moeten krijgen.
De voorzieningenrechter ziet dus ook in de overige beroepsgronden over de feitelijke gang van zaken, zoals eiseres die schetst, geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren.
Dwangsom niet tijdig beslissen
Proceskosten bezwaar
Het betoog van eiseres slaagt, maar leidt gelet op het feit dat er geen recht bestaat op vergoeding van de proceskosten in bezwaar tot niets.