Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
[gedaagde sub 2],
[gedaagde sub 3],
[gedaagde sub 4],
[gedaagde sub 5],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 27 maart 2019
- de comparitie van 9 juli 2018, waarbij van het verhandelde ter zitting aantekening is gehouden.
2.De feiten
4.De beoordeling
in conventie en reconventie
“te bepalen”dat de netto verkoopopbrengst van de woning met rente op grond van zaaksvervanging als vruchtgebruik kapitaal aan haar ter beschikking wordt gesteld. Deze vordering miskent dat niet de rechtbank bij (constitutief) vonnis dit kan
“bepalen”, maar dat erflater bij testament het vruchtgebruik van zijn nalatenschap (waaronder de woning) aan [gedaagde sub 1] heeft gelegateerd, en dat uit art. 3:213 BW Pro volgt dat het vruchtgebruik eveneens rust op hetgeen door zaaksvervanging daarvoor in de plaats is getreden. De rechtbank zal – aansluitend bij de vordering van [gedaagde sub 1] – voor recht verklaren dat de netto verkoopopbrengst van de woning met aangegroeide rente, krachtens zaaksvervanging als vruchtgebruik kapitaal ter beschikking staat aan [gedaagde sub 1] .
- griffierecht: € 287,--
- advocaatkosten: € 2.148,-- (tarief IV à 1.074,-- € per punt, 2 punten)