Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 januari 2018 in de zaak tussen
[eiser] , te [woonplaats] , eiser
[derde-partij] B.V, te [vestigingsplaats] , gemachtigde: drs. F.A.M. Moret.
Procesverloop
Overwegingen
Eiser heeft verder gesteld dat hij beperkt geacht moet worden op item 4.22, knielen of hurken, omdat hij niet in staat is om te hurken. Verzekeringsarts bezwaar en beroep Van der Wiel heeft in zijn rapportage gemotiveerd dat het er bij dit item om gaat of iemand kan knielen óf hurken. Uit het lichamelijk onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt dat eiser niet in staat is tot hurken, maar hij wel op zijn knieën kan zitten. De rechtbank kan deze motivering volgen. Uit de CBBS basisinformatie blijkt dat iemand slechts beperkt wordt geacht op dit item als blijkt dat die persoon niet of nauwelijks in staat is knielend of hurkend met de handen de grond te bereiken. Nu eiser wel kan knielen, heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht aangenomen dat eiser niet beperkt is op dit item. Eiser heeft ten aanzien van de hiervoor genoemde items of de andere door hem aangevoerde items geen medische informatie overgelegd. De rechtbank ziet in dat eiser forse beperkingen ervaart en hier is door verweerder in de FML van 6 juli 2017 in ruime mate rekening mee gehouden. Dat eiser echter meer beperkingen ervaart dan medisch objectiveerbaar vast te stellen is, kan bij de beoordeling van de arbeidsongeschiktheid geen doorslaggevende betekenis toekomen. De beroepsgrond slaagt niet.