Een 22-jarige man uit Utrecht werd door de rechtbank Midden-Nederland veroordeeld tot 60 dagen gevangenisstraf wegens mishandeling. De mishandeling vond plaats in oktober 2017, waarbij verdachte de partner van zijn nicht meerdere malen met de kolf van een wapen op het hoofd sloeg.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de tenlastegelegde feiten van vrijheidsberoving en bedreiging, omdat onvoldoende bewijs aanwezig was om deze feiten wettig en overtuigend vast te stellen. De verklaringen van het slachtoffer en getuigen stonden op gespannen voet met de overige bewijsmiddelen, zoals het ontbreken van DNA-sporen in de woning en het ontbreken van foto- of video-opnamen die het verhaal van het slachtoffer ondersteunden.
Verdachte bekende de mishandeling en de rechtbank achtte dit feit wettig en overtuigend bewezen. Het beroep op noodweer werd verworpen omdat geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte door het slachtoffer.
Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van het feit, het gebruik van een hard voorwerp, het letsel bij het slachtoffer en de persoonlijke omstandigheden van verdachte, waaronder zijn jonge leeftijd en het ontbreken van eerdere veroordelingen. De rechtbank volgde het advies van de reclassering en legde een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 60 dagen op, met aftrek van het voorarrest.