Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De procedure
- de dagvaarding van 20 april 2017
- de conclusie van antwoord PFZW van 5 juli 2017
- de conclusie van antwoord van het ABP van 5 juli 2017
- de bij brief van 29 september 2017 door [eiser] nagezonden producties (ter vervanging van de producties bij dagvaarding)
- het tussenvonnis van 23 augustus 2017 waarbij een comparitie van partijen is gelast
- het proces-verbaal van de comparitie van partijen van 13 december 2017
- de pleitnotitie van [eiser] van 13 december 2017
- de akte van het ABP van 14 februari 2018
- de akte van [eiser] van 11 april 2018
- de antwoordakte van PFZW van 16 mei 2018
- de antwoordakte van het ABP van 16 mei 2018
- de rolbeslissing van 1 augustus 2018
- de akte van [eiser] van 26 september 2018.
2.De feiten
"overzicht verdeling pensioenaanspraken"aan [A] toegezonden, met kopie aan [eiser] . In dit overzicht is vermeld dat [eiser] aanspraak heeft op 50% van de opgebouwde aanspraak op ouderdomspensioen van ƒ 1.859,83, dus ƒ 929,91 (naar de kantonrechter begrijpt: bruto per jaar) en dat [A] recht heeft op de andere helft.
"Indien u voor waarde-overdracht kiest, ontstaat op de overgangsdatum op basis van het voltijd salaris ad ƒ 54.369,00 uitzicht op: Een vervangend ouderdomspensioen voor de over te nemen pensioenaanspraken op de overgangsdatum van: - ƒ 4.348,75 bruto per jaar".
3.Het geschil en de beoordeling daarvan
In de zaak tegen het ABP
"uitgegaan dat (hij) een partner heeft"(prod. 12 dagvaarding pag. 4). Er kon dus bij [eiser] geen misverstand over bestaan dat de verevening niet in dit bedrag verwerkt was.
"als gehuwde".Zoals hiervoor al is aangegeven vermeldde ook de opgave van PGGM van 17 september 1999 dat de pensioenaansprak per 1 januari 1997 van ƒ 4.348,75 bruto per jaar betrekking had op de situatie dat [eiser] een partner heeft.