4.3Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal eerst de onder 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde feiten bespreken om daarna toe te komen aan de onder 3 ten laste gelegde criminele organisatie.
Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde
Verbalisant [verbalisant 1] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen onder meer gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Op 15 april 2017 om 14.50.52 uur belt [medeverdachte 2] met het nummer [telefoonnummer]
(hierna: - [telefoonnummer] ) uit naar de gebruiker van het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: - [telefoonnummer] ).
[medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2] ): Ik heb die dingetje nodig ouwe.
[A] (hierna: [A] ): Welke dingetje?
[medeverdachte 2] Welke dingetje? Ha ha balletjes.(…)
[medeverdachte 2] : Hey wat kost die kanker dinge?
[A] : Ja je moet zelf halen ik heb weinig
[medeverdachte 2] : Waar kan ik ze halen?
[A] : [medeverdachte 1] dunk in [naam] .
[medeverdachte 2] : En die patroon dan?
[A] : die kan ik wel geven
[medeverdachte 2] : Die kan je wel geven toch?
[A] : Ja, maar hoe lang heb je die dingen nodig?
[medeverdachte 2] : Even dit weekend. Maandag heb je het terug. Zondag heb je het al terug.
[A] : Oké.
Verbalisant [verbalisant 1] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Op 15 april 2017 om 18.02.56 uur wordt door - [telefoonnummer] , in gebruik bij [medeverdachte 2] , naar het nummer [telefoonnummer] (hierna: - [telefoonnummer] ), in gebruik bij [B] gebeld. Ik hoor dat de telefoon overging, maar dat niet door - [telefoonnummer] wordt opgenomen. Ik hoorde op de achtergrond van de beller twee personen met elkaar praten. Ik herkende de stemmen op de achtergrond als zijnde de stemmen van [verdachte] en [medeverdachte 1] . Op de achtergrond hoorde ik het volgende:
[medeverdachte 1] :
maar ehh bij iemand binnen.
[verdachte] :
Oh slapen die ouders ook al?
De gebruiker van - [telefoonnummer] antwoordt: “
ja”
[medeverdachte 1] :
Ja, kijk je gaat de trap op.(kiestoon)
Dan loop je zo! Ga je gelijk naar boven zo…
Verbinding verbroken.
Verbalisant [verbalisant 2] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen onder meer gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Op 15 april 2017 zijn twee tapgesprekken tussen [medeverdachte 2] (de gebruiker van het telefoonnummer - [telefoonnummer] ) en de gebruiker van telefoonnummer - [telefoonnummer] te naam gesteld aan [A] beluisterd. Dit betreft een tweetal gesprekken gevoerd op voornoemde datum om 18.25.43 uur en 20.27.01 uur. Uit de verwerking van deze tapgesprekken blijkt dat, kort samengevat, [medeverdachte 2] van de andere persoon uitleg krijgt over de werking van vermoedelijk een handvuurwapen. In de gesprekken wordt onder andere gesproken over: “die ding”, “een handvat”, “flesje in handvat”, “magazijn” en “pistool”. Ik verbalisant herkende de stem van [medeverdachte 2] als gebruiker van - [telefoonnummer] . Tijdens deze twee gesprekken hoorde ik op de achtergrond nog twee personen praten. Ik hoorde dat deze twee personen zich daarbij mengden in de bovengenoemde gesprekken tussen [medeverdachte 2] en de gebruiker van - [telefoonnummer] . Ik herkende de stemmen van deze twee personen als de stemmen van de verdachte [verdachte] en [B] .
Verbalisant [verbalisant 3] heeft in haar proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Op 15 april 2017 om 19.13 uur vindt een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 1] vraagt hem of hij die “SIM-ding” heeft. [medeverdachte 2] bevestigt dit. Op 15 april 2017 om 19.50 uur vindt een gesprek plaats tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] vraagt aan [medeverdachte 1] hoe laat hij naar “die gozer” gaat. [medeverdachte 1] zegt dat hij er zo heen gaat. Hij zegt dat hij pas om 20.30 uur heeft afgesproken met “hem”. [medeverdachte 1] zegt dat hij [naam] niet kan bereiken. [medeverdachte 2] vraagt hem waarom hij [naam] moet bereiken. [medeverdachte 1] zegt: “voor die pokkie (
de rechtbank verstaat: telefoon) toch?” [medeverdachte 2] zegt hierop: “Die heb ik toch domme ezel”.
Verbalisant [verbalisant 4] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
- op 15 april 2017 om 19.56 uur blijkt dat het telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: - [telefoonnummer] ) heeft gebeld naar het nummer [telefoonnummer] (hierna: - [telefoonnummer] ). - [telefoonnummer] straalt de mast Huizermaatweg te Huizen aan.
- op 15 april 2017 om 20.48 uur is door het observatieteam vastgesteld dat [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [verdachte] elkaar om 20. [D] uur hebben ontmoet op de Oostkade te Huizen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] reden daarna om 20.45 uur op een scooter weg. [verdachte] bleef op de Oostkade achter.Om 20.48 uur belt - [telefoonnummer] naar het nummer - [telefoonnummer] . Het nummer - [telefoonnummer] straalt op dat moment de mast Phohisstraat te Huizen aan. Uit het proces-verbaal van het observatieteam blijkt dat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] op dat moment samen zijn.
- op 15 april 2017 om 20.54 uur is door het observatieteam vastgesteld dat [medeverdachte 2] [medeverdachte 1] heeft afgezet bij de bushalte het Merk te Huizen.
- op 15 april 2017 om 20.55 uur vindt een gesprek tussen [medeverdachte 2] (- [telefoonnummer] ) en [medeverdachte 1] [telefoonnummer] (hierna: - [telefoonnummer] ) plaats. [medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 1] alle gesprekken en WhatsApp berichten met hem moet verwijderen. [medeverdachte 2] zegt dat [medeverdachte 1] een keer dat andere nummer moet bellen. Het nummer dat [medeverdachte 2] hem gaf. Dat moet hij nu even bellen.
- op 15 april 2017 om 20.56 uur belt het nummer - [telefoonnummer] naar het nummer - [telefoonnummer] . Dit is direct na het tapgesprek van 20.55 uur tussen [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] .
Verbalisant [verbalisant 3] heeft in haar proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Het is bekend dat [verdachte] gebruik maakt van telefoonnummer [telefoonnummer] (hierna: - [telefoonnummer] ) en imeinummer [imeinummer] . Op het imeinummer is te zien dat op 15 april 2017 gedurende de avond en 16 april 2017 gedurende de nacht een andere simkaart in de telefoon heeft gezeten dan de gebruikelijke. Op deze simkaart, die is gekoppeld aan telefoonnummer [telefoonnummer] , is op 17 april 2017 om 20.56 uur een inkomend gesprek te zien vanaf telefoonnummer - [telefoonnummer] . Beide nummers hebben geen tenaamstelling. De telefoon van [medeverdachte 1] en de - [telefoonnummer] stralen op dat moment beide een telefoonpaal in Huizen aan.
Verbalisant [verbalisant 4] heeft in zijn proces-verbaal betreffende de analyse historische telecomgegevens onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Op bevel van de officier van justitie werden vanaf 15 april 2017 telefoongesprekken opgenomen van het telefoonnummer [telefoonnummer] (verder: - [telefoonnummer] ). Dit nummer was op 15 en 16 april 2017 in gebruik bij [verdachte] . De gesprekken zijn als volgt:
- op 15 april 2017 om 19: [D] uur stuurt de gebruiker van - [telefoonnummer] een sms naar het nummer [telefoonnummer] (verder: - [telefoonnummer] ) met de tekst:
’21.30 atletiekbaan’.
- op 15 april 2017 om 21:06 uur belt - [telefoonnummer] met - [telefoonnummer] . Het gesprek gaat over het maken van een afspraak om 21:30 uur.De stem van de gebruiker van het nummer - [telefoonnummer] werd door verbalisanten [verbalisant 5]en [verbalisant 6]herkend als de stem van [C] .
Uit WhatsApp-gesprekken tussen [medeverdachte 1] en [slachtoffer 1] (
aangever) blijkt dat [medeverdachte 1] omstreeks 21.30 uur is opgehaald door [slachtoffer 1] bij busstation Hilversum.
[slachtoffer 1] is op 16 april 2017 als getuige gehoord door de politie en heeft als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Ik haalde hem die avond op bij busstation Hilversum en we zijn naar de keet bij [E] gegaan. Ik was de hele avond met [F] . Ik bracht [F] na middernacht naar het busstation Hilversum. Hij zou met de bus naar Huizen gaan. [F] wist dat ik vervolgens naar huis ging.
Verbalisant [verbalisant 4] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
- op 15 april 2017 om 22.31 uur belt het nummer - [telefoonnummer] naar het nummer - [telefoonnummer] . Het nummer
- [telefoonnummer] straalt op dat moment de mast Seinstraat te Hilversum aan. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat [medeverdachte 1] zich op dat moment samen met hem op de Anton Philipslaan in Hilversum bevond. Middels een stealth sms naar het nummer van [medeverdachte 1] (- [telefoonnummer] ) blijkt het nummer om 22.30 uur de mast Anton Fokkerweg te Hilversum aan te stralen.
- op 15 april 2017 om 23.26 uur belt het nummer - [telefoonnummer] naar het nummer - [telefoonnummer] . Het nummer
- [telefoonnummer] straalt op dat moment de mast Riebeeckweg te Hilversum aan. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat [medeverdachte 1] zich op dat moment samen met hem op de Anton Philipslaan in Hilversum bevond. Middels een stealth sms naar het nummer van [medeverdachte 1] (- [telefoonnummer] ) blijkt het nummer om 23.22 uur de mast Anton Fokkerweg te Hilversum aan te stralen.
- op 16 april 2017 om 00.10 uur belt het nummer - [telefoonnummer] naar het nummer - [telefoonnummer] . Het nummer
- [telefoonnummer] , in de telefoon van [verdachte] , straalt op dat moment een mast in de nabijheid van de Sint Janstraat te [woonplaats] aan. Het nummer - [telefoonnummer] straalt op dat moment de mast Riebeeckweg te Hilversum aan. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat [medeverdachte 1] zich op dat moment samen met hem op de Anton Philipslaan in Hilversum bevond. Middels een stealth sms naar het nummer van [medeverdachte 1] (- [telefoonnummer] ) blijkt het nummer om 00.10 uur de mast Anton Fokkerweg te Hilversum aan te stralen.
- op 16 april 2017 om 00.40 uur belt het nummer - [telefoonnummer] naar het nummer - [telefoonnummer] . Het nummer
- [telefoonnummer] , in de telefoon van [verdachte] , straalt op dat moment een mast in de nabijheid van de Sint Janstraat te [woonplaats] aan. Het nummer - [telefoonnummer] straalt op 00.40 uur de mast Liebergweg te Hilversum aan. Uit de verklaring van [slachtoffer 1] blijkt dat [medeverdachte 1] zich op dat moment samen met hem op de Anton Philipslaan in Hilversum bevond dan wel op het punt stond om met [medeverdachte 1] naar het station in Hilversum te rijden en [medeverdachte 1] daar af te zetten.
- Door [slachtoffer 1] is verklaard dat hij [medeverdachte 1] omstreeks 00.45 uur heeft afgezet op het station in Hilversum. Op 16 april 2017 om 00.54 uur belt het nummer - [telefoonnummer] naar het telefoonnummer in gebruik bij [B] . De telefoon van [medeverdachte 1] straalt op dat moment de Kampstraat te Hilversum aan. In dat gesprek neemt [medeverdachte 2] op en vraagt aan [medeverdachte 1] of hij heeft gebeld en of er werd opgenomen. [medeverdachte 1] antwoordt op beide vragen bevestigend.
[slachtoffer 1] heeft op 16 april 2017 aangifte gedaan van een woningoverval en heeft daarover bij de politie als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Ik woon op het adres [adres] in [woonplaats] , samen met mijn vader [slachtoffer 2] en stiefmoeder [slachtoffer 3] . Op 16 april 2017 om 00:56 uur kwam ik aan bij onze woning. Ik stapte uit mijn personenauto en wilde richting de woning lopen. Ik stak mijn sleutel in het slot. Ik hoorde geritsel achter mij. Op datzelfde moment word ik vastgepakt en krijg ik een hand voor mijn mond. Ik hoorde dat iemand zei ‘doorlopen, doorlopen’. Ik hoorde dat iemand zei dat ik de hond weg moest halen, anders zouden zij mij neer schieten. Dit is de eerste keer dat ik zag dat er twee personen in de woning waren en dat een van de personen een vuurwapen vast had. Ik moest vervolgens de trap omhoog lopen. Ik zag dat dader 1 een vuurwapen op mij richtte. Terwijl ik de trap op liep hoorde ik mijn stiefmoeder [slachtoffer 3] (
de rechtbank verstaat: [slachtoffer 3]) om hulp schreeuwen. Wij moesten met z’n tweeën naar de kleedkamer lopen. Ik zag dat [slachtoffer 3] werd geslagen door dader 2. Ook ik ben twee keer tegen mijn benen aangetrapt. Op een gegeven moment werden mijn handen vastgebonden door middel van tie-wraps. Op een gegeven moment moesten [slachtoffer 3] en ik de slaapkamer van mijn ouders in. Ik zag dat [slachtoffer 3] een klap kreeg met de onderkant van het vuurwapen. Ik zag en hoorde dat [slachtoffer 3] veel pijn had. Ik moest naast mijn vader (
de rechtbank begrijpt [slachtoffer 2]) op het bed van mijn ouders gaan liggen. Ik hoorde dat allebei de daders riepen dat zij geld wilden hebben. Ik zag dat mijn vader steeds met een van de daders mee moest. Hij moest de kluis openmaken. Ook werden er bij mijn vader tie-wraps om zijn polsen gedaan. Op een gegeven moment hebben ze mijn vader en [slachtoffer 3] hun monden getapet. Op een gegeven moment zijn ze weggegaan.
In een aanvullende verklaring heeft [slachtoffer 1] op 16 april 2017 als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Ik werd in een verwurging om mijn nek vastgepakt. Ik moest de voordeur openen. Ik zag dat iemand een pistool op mijn buik gericht hield. In de hal werd ik vastgebonden. Ik werd naar boven geduwd. Ik zag dat [slachtoffer 3] uit de slaapkamer kwam. Ik zag dat de voorste overvaller naar [slachtoffer 3] liep en haar fors meermalen sloeg. Ik zag dat de overvallers de sieraden van [slachtoffer 3] wilden meenemen. Ik zag dat mijn vader werd geslagen. Ik zag dat mijn vader vastgebonden werd met tie-wraps. Dader 1 had dikkere lippen dan dader 2.
Weggenomen zijn een Omega Seamaster horloge, ongeveer 1400 euro contant geld, sieraden, een Tech 21 telefoonhoesje en geld dat daarin zat, ongeveer 210 euro, autosleutels van de BMW en de Mini.
[slachtoffer 2] is op 16 april 2017 als getuige gehoord door de politie en heeft als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Toen mijn vrouw de slaapkamerdeur opende, stormden meteen twee mannen de slaapkamer binnen. Ik zag dat deze mannen mijn vrouw vastpakten en sloegen op haar hoofd. Ik hoorde mijn vrouw hard gillen. Ik zag dat een van deze mannen een vuurwapen had. Ik hoorde de mannen schreeuwen: “Ik wil geld”. Ik werd ook door de mannen vastgepakt en geslagen in mijn gezicht. Mijn vrouw en ik zijn vastgebonden met tie-wraps. Ik moest met een van de mannen meelopen. Ik ben vervolgens naar de kluis gelopen, deze heb ik geopend. Nadat ik de kluis geopend had, moest ik weer naar boven. Ik werd op bed gelegd en vastgebonden met tie-wraps en tape.
Ik kan persoon 1 als volgt omschrijven: licht getint, slank postuur, ongeveer 1.80m, donker gekleed en droeg een bivakmuts. Ik kan persoon 2 als volgt omschrijven: donkergetint, ongeveer 1.80 lang, zwart gekleed, bivakmuts, sportschoenen en een rugzak. De donkergetinte man had een vuurwapen. Dit vuurwapen heeft hij op mijn hoofd gezet. Ik kan niet beschrijven hoe beangstigend dit is. Ook zag ik dat de donkere man het vuurwapen op het hoofd van mijn vrouw zette en sloeg. Ik ben door de licht getinte man meermalen met een uitschuifbare stok geslagen. Dit deed ontzettend veel pijn.
In een aanvullende verklaring heeft [slachtoffer 2] op 17 april 2017 als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Toen kwam er een naar binnen stormen en die begon mij te meppen. Hij wilde geld en een Rolex. Volgens mij was het de donkerdere persoon die mij begon te slaan. Ik had de indruk dat hij meer negroïde was. Toen ik op bed lag deed hij eerst tie-wraps om. Op dat moment werden mijn benen nog niet vastgebonden, dat gebeurde pas later, toen ik bij de kluis was geweest. Ik moest op mijn buik gaan liggen. Af en toe kreeg ik weer een klap. Ze sloegen mij hard met hun vuisten en af en toe met een uitschuifbare ijzeren staaf. Ik voelde ook een klap met een pistool op mijn hoofd. Het pistool werd dreigend in mijn richting gehouden. Op een gegeven moment zag ik [slachtoffer 3] . Ik zag dat zij ook onder het bloed zat. Ik moest zeggen waar mijn geld lag en mijn Rolex. Ik moest met hen naar de kluis. Nadat we bij de kluis waren geweest, gingen we weer naar boven. Toen werd gevraagd waar de pasjes waren. Ik zei dat die in de keuken lagen. Ik heb twee pasjes afgegeven. De pasjes waren van de ABN-AMRO bank. Ik heb ze de code gegeven. Er is geen geweld gebruikt toen ik de pasjes gaf, maar de dreiging was er nog steeds.
In een aanvullende verklaring heeft [slachtoffer 2] op 22 juni 2017 als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Vlak na het incident had ik veel pijn aan mijn linkerarm, deze was helemaal gevoelloos. Twee weken later kreeg ik meer pijn aan mijn linkerarm en een week later scheurde een spier af in mijn linkerarm. Ik kon mijn arm niet meer bewegen en mijn arm werd helemaal blauw. Ik ben geopereerd. Ik heb twee weken gips gehad. Dit letsel is gekomen door de klappen op mijn arm met die staaf en met het pistool.
In een medisch verslag van de orthopedisch chirurg van [slachtoffer 2] wordt het volgende vermeld, zakelijk weergegeven:
Op 5 juni 2017 is [slachtoffer 2] gezien door de orthopedisch chirurg. Anamnese: Mishandeld op 16 april, o.a. letsel aan linkerarm.
Op 6 juni 2017 is [slachtoffer 2] geopereerd in verband met een ruptuur van de distale bicepspees. Daarbij is de oude distale bicepspees gehecht. De nabehandeling betreft 3 weken achterspalk, dan afneembaar maken en passief oefenen van de flexie/extensie en pro/supinatie met fysiotherapeut.
[slachtoffer 3] is op 17 april 2017 gehoord door de politie en heeft als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Nadat we waren gaan slapen hoorde ik op een gegeven moment dat de hond veel lawaai maakte, dus ging ik kijken wat er aan de hand was. Op dat moment zag ik [slachtoffer 1] in het bijzijn van twee bivakmutsen de trap op komen. Toen ben ik gaan gillen. Volgens mij had een van hen een pistool. Ze hadden bivakmutsen op. Het volgende moment zit ik in de kleedkamer tegen de deur en toen drupte er warm bloed uit mijn neus op mijn arm. Toen begon ik weer te gillen. Op dat moment lagen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] overdwars op bed. Ze hebben geprobeerd tie-wraps om te doen. Ik heb volgens mij alleen maar gegild. Ik denk dat mijn oog dicht zat. Aan het eind probeerden ze mij met tie-wraps vast te binden.
Verbalisant [verbalisant 4] heeft in zijn proces-verbaal betreffende de analyse historische telecomgegevens onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Op bevel van de officier van justitie werden vanaf 15 april 2017 telefoongesprekken opgenomen van het telefoonnummer [telefoonnummer] (verder: - [telefoonnummer] ). Dit nummer was op 15 en 16 april 2017 in gebruik bij [verdachte] . De gesprekken zijn als volgt:
-op 16 april 2017 om 03:32 uur wordt - [telefoonnummer] gebeld door [telefoonnummer] . Deze vaste lijn staat op naam van [C] , [adres] te [woonplaats] .Het gesprek gaat over het maken van een afspraak over 15 minuten bij de brug.De stem van de gebruiker van het nummer - [telefoonnummer] werd door verbalisant [verbalisant 1] herkend als de stem van [verdachte] .
- op 16 april 2017 om 03:44 uur belt - [telefoonnummer] met - [telefoonnummer] en zegt ‘ik kom eraan’. De locatie van de beller - [telefoonnummer] is Oostermeent Huizen.
Op 16 april 2017 te 03.52 en 03.53 uur, acht minuten na het laatstgenoemd gesprek, wordt er bij een geldautomaat van ABN-AMRO bank gevestigd aan de Monnickkamp in Huizen (Winkelcentrum Oostermeent) getracht het saldo op te vragen en te pinnen met de bankpassen die tijdens de overval in [woonplaats] zijn weggenomen.
Uit de historische gegevens blijkt dat het nummer - [telefoonnummer] op 15 april 2017 om 15.23, 19.44, 21.06 uur en op 16 april 2017 om 03.44 uur en 13.44 uur is gebeld door het nummer van [verdachte] (- [telefoonnummer] ). Tijdens deze contacten straalde het nummer - [telefoonnummer] de mast KNP337014455 aan. Deze mast staat op de Huizermaatweg te Huizen, nabij de woning van [C] .
Verbalisant [verbalisant 7] heeft zijn proces-verbaal bevindingen betreffende het onderzoek camerabeelden van de ABN-AMRO te Huizen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Ik heb de veiliggestelde camerabeelden van de ABN-AMRO bank bekeken. Dit zijn camerabeelden van de pinautomaat gelegen aan de Monnickskamp 2 te Huizen. Ik heb in een opmerking zien staan dat de beelden 3 minuten en 38 seconden achterlopen. De beelden zijn opnamen van 16 april 2017. Op de camerabeelden zag ik om 03:49:49 uur een persoon. Op de camerabeelden is te zien dat deze persoon zijn/haar gezicht afgedekt heeft met een sjaal en een muts. Op de beelden zijn de ogen en zeer waarschijnlijk de huidskleur te zien. De persoon heeft zeer waarschijnlijk een donker getinte huidskleur.
Verbalisant [verbalisant 8] heeft in zijn proces-verbaal bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Ik heb de camerabeelden, afkomstig van de Albert Heijn gevestigd aan de Oostermeent-Zuid 48 te Huizen bekeken. Ik zag op de beelden, waarbij de datum 16 april 2017 en de tijd 03.51.31 uur werd aangegeven, een tweetal personen aan kwamen lopen de parkeerplaats op. Aan de beelden en de manier van lopen zag ik dat het twee mannen betroffen. Ik zag dat de ene man een licht getinte huidskleur had en een opgeschoren kapsel. Ik zag dat de tweede man een donker getinte huidskleur had. Ik zag dat de man een donker kleed om zijn bovenlichaam heen had gedraaid en ik zag dat hij een lichtkleurige sjaal tot over zijn neus droeg. Kort nadat de mannen de parkeerplaats oplopen zag ik dat zij stoppen en dat de licht getinte man de donker getinte man een kleed om deed en deze om zijn bovenlichaam en gezicht heen draaide. Ik zag dat de donkergetinte man doorliep in de richting van de camera, nadat de licht getinte man was omgedraaid.
Verbalisant [verbalisant 5] heeft in zijn proces-verbaal bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Ik heb de schoenen van verdachte [C] in beslag genomen.
Verbalisant [verbalisant 9] heeft in zijn proces-verbaal bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Het betreft schoeisel, twee stuks, merk Adidas, kleur zwart, SIN AAKI5973NL.
Door het NFI zijn de schoenen met nummer AAKI5973NL microscopisch onderzocht op de aanwezigheid van bloed. In de naad aan de bovenkant, aan de rechterkant van de instap, nabij de bovenste vetergaatjes van de rechterschoen is bloed aangetroffen. Dit bloed is bemonsterd. De bemonstering is als AAKI5973NL#01 veiliggesteld. De bemonstering AAKI5973NL#01 is onderworpen aan DNA-onderzoek. SIN AAKI5973NL#01, beschrijving DNA-profiel: bloed kan afkomstig zijn van een vrouw: [slachtoffer 3] . De kans dat het bloedspoor dat op de schoen aangetroffen is, van een andere willekeurige persoon afkomstig is, is kleiner dan 1 op 1 miljard.
Verbalisant [verbalisant 4] heeft in zijn proces-verbaal tips opsporing verzocht onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Op 6 juni 2017 werd in het programma opsporing verzocht aandacht besteed aan de overval op de [adres] te [woonplaats] op 16 april 2017. In de uitzending werden onder andere beelden/geluiden getoond van de parkeerplaats bij de Albert Heijn (lopen pinner naar pinautomaat) en van het pinmoment bij de ABN-AMRO. Naar aanleiding van de uitzending van opsporing verzocht kwamen bij de politie 26 tips binnen en bij Meld Misdaad Anoniem (hierna: MMA) 15 tips. Van de MMA-meldingen werd [C] 14 keer getipt. Van de tips die bij de politie zijn binnengekomen werd [C] 12 keer getipt.
Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft op 12 februari 2018 bij de politie onder meer als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
[medeverdachte 2] zei tegen mij dat ik een afspraak moest maken met [slachtoffer 1] en dat ik [slachtoffer 1] onder controle moest houden. Ik heb met [slachtoffer 1] afgesproken onder het mom te gaan chillen. Op de avond van de overval heb ik meerdere malen contact gehad met [medeverdachte 2] . [medeverdachte 2] wilde van mij weten of de afspraak met
[slachtoffer 1] was gelukt en hij wilde worden geïnformeerd omtrent de situatie met [slachtoffer 1] . Ik heb de avond van 15 april 2017 met [medeverdachte 2] afgesproken bij de Oostermeent. [medeverdachte 2] was toen met [verdachte] . Ik kreeg van [medeverdachte 2] een prepaid telefoon. In deze telefoon stond een telefoonnummer voorgeprogrammeerd. Met dit telefoonnummer moest ik de andere daders van de overval informeren over de situatie en de thuiskomst van [slachtoffer 1] . [medeverdachte 2] heeft mij verteld hoe ik dit moest doen. Daarna ben ik door [medeverdachte 2] naar de bushalte gebracht. Ik moest vervolgens van [medeverdachte 2] al zijn telefoongegevens van zijn privé telefoon wissen. Dit waren gegevens die naar [medeverdachte 2] konden leiden. Vervolgens ben ik opgehaald door [slachtoffer 1] en zijn we gaan chillen bij een keet. Ik heb toen een aantal keer met de prepaid telefoon contact opgenomen met het voorgeprogrammeerde telefoonnummer. Ik gaf dan de situatie omtrent [slachtoffer 1] door. Ik kreeg toen van die persoon door dat ik tijd moest rekken, omdat [slachtoffer 1] nog niet naar huis mocht. Ik heb ongeveer 30 minuten voordat ik door [slachtoffer 1] bij het station Hilversum ben afgezet, weer met de prepaid telefoon naar de persoon van het voorgeprogrammeerde nummer gebeld. Ik heb toen laten weten dat [slachtoffer 1] naar huis zou komen.
In een aanvullende verklaring heeft [medeverdachte 1] op 27 maart 2018 als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Ik heb geen uitleg gekregen waarom ze precies naar de woning van [slachtoffer 1] wilden. Met ze bedoel ik [medeverdachte 2] en [verdachte] .[medeverdachte 2] heeft aan mij gevraagd om met [slachtoffer 1] te gaan chillen en dat ik met de prepaid telefoon zou bellen naar het nummer. [verdachte] stond daar later ook bij. Hij hoorde toen ook dat [medeverdachte 2] het erover had. Er zijn verschillende gesprekken geweest voor de overval. De ene keer was dat met [medeverdachte 2] alleen, de andere keer met zowel [medeverdachte 2] als [verdachte] .Ik moest bellen naar de prepaid telefoon. Ik wist niet wie ik aan de telefoon zou krijgen. Mijn vermoeden is [verdachte] . Ondanks dat hij zijn stem probeerde te vervormen hoorde ik een zware stem. Het is mij bekend dat [verdachte] ook een zware stem heeft. Het was een herkenbare zware stem. Ik herkende de stem van [verdachte] als de stem van de persoon die ik aan de telefoon kreeg.Ze wilden van mij weten hoe het er precies binnen uit zag. Met ze bedoel ik [medeverdachte 2] en [verdachte] . Ik wist toen niet dat [verdachte] de woning in zou gaan, maar later vermoedde ik wel dat hij in de woning is geweest en de overval heeft gepleegd. Hij was het meest geïnteresseerd in de omschrijving van de woning. Over hoe je moest lopen en waar wat stond en dat soort dingen. Dit ging over het huis van [slachtoffer 1] .
Verdachte heeft ter terechtzitting van 16 oktober 2018 onder meer het volgende verklaard, zakelijk weergegeven:
Ik ben gevraagd om op de uitkijk te staan voor een woninginbraak. Ik heb zodoende op 16 april 2017 op de uitkijk gestaan in de buurt van de Sint Janstraat te Laren. Ik heb daarvoor contact gehad met [C] .
De hiervoor weergegeven bewijsmiddelen worden steeds gebruikt tot het bewijs van het feit of de feiten, waarop zij blijkens hun inhoud uitdrukkelijk betrekking hebben. Sommige onderdelen van de bewijsmiddelen hebben niet betrekking op alle feiten, maar op één of meerdere feiten. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 1 primair en 2 primair ten laste gelegde
Betrouwbaarheid verklaring [medeverdachte 1]
De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van [medeverdachte 1] met enige terughoudendheid moet worden beoordeeld nu [medeverdachte 1] wisselende verklaringen heeft afgelegd, hij door de manier van ondervragen door de politie is gevoed met informatie en dat zijn verklaringen zijn gebaseerd op vermoedens. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
[medeverdachte 1] heeft zowel op 12 februari 2018 als op 27 maart 2018 een inhoudelijke verklaring afgelegd bij de politie en heeft daarbij zijn kant van het verhaal en zijn aandeel in de overval bekend. Ten tijde van deze verhoren was de politie reeds bekend met het aandeel van medeverdachte [medeverdachte 1] . De rechtbank constateert dan ook dat de politie [medeverdachte 1] ten tijde van deze verhoren zowel confronteert als bevraagt omtrent de door hen gedane bevindingen. De rechtbank is, in tegenstelling tot hetgeen de raadsvrouw bepleit, van oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] in de kern consistent en authentiek zijn en worden ondersteund door de hiervoor weergegeven objectieve bewijsmiddelen. De rechtbank ziet dan ook, gelet op het veelvoud van overeenkomsten tussen de verklaringen van [medeverdachte 1] en het objectieve bewijs, geen reden om aan de betrouwbaarheid of correctheid van deze verklaringen te twijfelen.
Betrouwbaarheid verklaring verdachte
Verdachte ontkent een van de overvallers te zijn geweest van de woningoverval en de wederrechtelijke vrijheidsberoving op 16 april 2017 te Laren . Verdachte verklaart ter terechtzitting dat hij is benaderd om op de uitkijk te staan voor een inbraak. Op de avond van de overval heeft verdachte van [C] een locatie doorgekregen waar hij op wacht moest staan. Hij had met het oog daarop een simkaart gekregen om gebeld te worden zodra kon worden begonnen met inbreken en, indien nodig, te bellen bij onraad. Na de inbraak zou verdachte met de inbrekers hebben afgesproken bij de pinautomaat in Huizen om zijn deel van de buit in ontvangst te nemen. De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaring van cliënt niet wordt weerlegd door feiten en omstandigheden uit het dossier en dat zijn verklaring als uitgangspunt dient te gelden. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
De rechtbank komt op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen tot een andere conclusie. De aanwezigheid van verdachte op de plaats delict en zijn actieve deelname aan de overval blijken uit het volgende:
Telefoonnummer - [telefoonnummer] :
Het telefoonnummer - [telefoonnummer] kan aan verdachte worden toegeschreven. Dit nummer betrof het voorgeprogrammeerde nummer in de telefoon van [medeverdachte 1] , waarmee hij de persoon achter dit nummer op de hoogte moest houden wanneer [slachtoffer 1] naar huis zou komen. [medeverdachte 1] verklaart dat hij de persoon achter nummer - [telefoonnummer] herkent als zijnde verdachte. Voorts is gebleken dat dit nummer kort voorafgaand aan de overval een mast aanstraalt in de nabijheid van de Sint Janstraat te Laren .
Voorbereidingen overval:
Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen blijkt dat, op het moment dat het nummer van [medeverdachte 2] belt naar het nummer van [B] , [medeverdachte 1] aan [verdachte] uitlegt hoe je de woning betreedt en bij de slaapkamer komt. [medeverdachte 1] verklaart in zijn verhoor dat verdachte degene was die het meest geïnteresseerd was in wat waar stond en hoe je moest lopen in de woning. Voorts is verdachte betrokken bij een gesprek tussen [medeverdachte 2] en [A] over de werking van een wapen en wordt hij op de avond van de overval in gezelschap van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] gezien.
Contact met [C] :
Verdachte heeft op de avond van de overval meermalen contact met [C] en spreekt rond 21.30 uur met hem af. Hij gebruikt hiervoor zijn eigen nummer - [telefoonnummer] . Voorts is de rechtbank uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen van oordeel dat [C] een van de overvallers is op de woning aan de Sint Janstraat te Laren . Diezelfde nacht heeft verdachte opnieuw contact met [C] waarbij zij met elkaar afspreken. De locatie van de telefoon van verdachte ten tijde van het bellen is dan de Oostermeent in Huizen. Acht minuten na het gesprek tussen [C] en verdachte wordt bij het winkelcentrum Oostermeent te Huizen getracht te pinnen door [C] met de bankpassen die tijdens de overval in Laren zijn weggenomen.
Het door verdachte naar voren gebrachte alternatieve scenario dat hij slechts op de uitkijk heeft gestaan voor naar hij dacht een woninginbraak en daarna is gebeld om zijn deel van de buit op te halen, wordt als onvoldoende onderbouwd en onaannemelijk terzijde geschoven.
Zwaar lichamelijk letsel
De rechtbank stelt aan de hand van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen vast dat (mede) door de gedragingen van de verdachte het letsel bij [slachtoffer 2] is veroorzaakt, te weten een gescheurde bicepspees. Dit letsel was van dien aard dat een operatie noodzakelijk is gebleken en, zoals uit de vordering benadeelde partij volgt, de arm nog steeds pijnlijk is bij bepaalde bewegingen en gevoelloos bij de pols. [slachtoffer 2] kan de arm nog steeds niet gebruiken zoals hij voor de overval kon.
Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat dit letsel naar gewoon spraakgebruik als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt en komt daarmee tot een bewezenverklaring van dit onderdeel van de tenlastelegging.
Op grond van al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte op 16 april 2017 samen met anderen een overval in een woning heeft gepleegd, waarbij een horloge, contante geldbedragen, sieraden, een Tech 21, autosleutels en een mobiele telefoon zijn weggenomen en waarbij geweld is gebruikt tegen de slachtoffers, bestaande uit slaan en schoppen, slaan met een vuurwapen en een ploertendoder, waarbij [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen aan zijn arm. Bij de overval maakten verdachten gebruik van een op een vuurwapen gelijkend voorwerp. Voorts is [slachtoffer 2] door verdachten gedwongen tot afgifte van zijn bankpassen en daarbij behorende pincodes. Verdachte en zijn mededader hebben tijdens deze overval de slachtoffers vastgebonden met tie-wraps en tape en hen op deze manier ongeveer een uur wederrechtelijk van hun vrijheid beroofd en beroofd gehouden.
Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 4 primair ten laste gelegde:
[benadeelde 1] heeft op 31 maart 2017 aangifte gedaan van een woninginbraak en heeft daarover bij de politie als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Ik doe als bewoner aangifte van inbraak in de woning aan het [adres] te [woonplaats] . Wij zijn op 23 maart 2017 vertrokken voor een korte vakantie. Wij hebben de woning voor vertrek goed afgesloten en hebben de zonwering naar beneden gedaan. Op 25 maart 2017 ging een kennis naar de woning. Hij zag dat het keukenraam opengebroken was. Hierbij zijn een Hamilton horloge, twee zilveren kettingen en een tiara weggenomen.
Verbalisant [verbalisant 3] heeft in haar proces-verbaal van bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
In het onderzoek naar de overval op de woning aan de [adres] te [woonplaats] , werd in het voertuig van medeverdachte [verdachte] opname vertrouwelijke communicatie (hierna: OVC) apparatuur aangesloten. Op 2 juli 2017 vond een gesprek plaats tussen verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 2] . Het gesprek gaat over een horloge.
[medeverdachte 2] : [medeverdachte 2]
[verdachte] : [verdachte]
[medeverdachte 2] : Hij staat wel he? Mooie watch ouwe. Heb je gekeken hoe duur hij was deze?
[verdachte] : Ja doesoe
(betekenis: € 1000,-).
[medeverdachte 2] : Hij loopt en tikt nog steeds.
: Ja automatisch, Hamilton.
[verdachte] : Wat boeit mij die watchie
[medeverdachte 2] : Oke welke osso kwam deze
(betekenis osso: huis)?
[verdachte] : Met die honkbal, die man die we laatst zagen toch bij Blaricum.
[medeverdachte 2] : Welke osso, waar was die osso?
[verdachte] : [adres] , naast [nummer] .
[medeverdachte 2] : Dat is lang geleden al.
Hierop is contact opgenomen met de aangeefster. Zij verklaarde dat het weggenomen Hamilton horloge automatisch loopt en haar man aan honkbal doet. In de woning zijn dan ook diverse honkbalattributen aanwezig. Deze spullen liggen in de garage en op de eerste verdieping. Deze spullen zijn niet van buitenaf zichtbaar.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 4 primair ten laste gelegde:
Verdachte ontkent in de woning aan de [adres] te [woonplaats] te hebben ingebroken. Hij verklaart het horloge voor € 100,- te hebben gekocht van een niet nader te noemen vriend. Hij wist dat het van diefstal afkomstig was, omdat die vriend hem heeft verteld dat hij dit horloge heeft gestolen bij de [adres] . De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
Uit de OVC-gesprekken blijkt dat verdachte een gesprek heeft met medeverdachte [medeverdachte 2] over een automatisch lopend horloge van het merk Hamilton. Zij bespreken daarbij dat dit horloge afkomstig is uit het huis met ‘die honkbal’ en afkomstig is van de [adres] . Nu uit de verklaring van aangeefster blijkt dat zowel het weggenomen horloge een Hamilton horloge betreft, dit automatisch loopt en dat in het huis honkbalattributen liggen die niet van buitenaf waarneembaar zijn, in combinatie met het feit dat verdachte de persoon is die verwijst naar de ‘osso bij [adres] met die honkbal’, is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich tezamen met een ander schuldig heeft gemaakt aan de woninginbraak aan de [adres] te [woonplaats] . De rechtbank acht de verklaring van verdachte onaannemelijk en verwerpt aldus de lezing van verdachte.
Vrijspraak ten aanzien van het onder 5 primair ten laste gelegde:
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 5 primair ten laste gelegde. Hoewel op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte in het bezit was van het weggenomen IWC Schaffhausen horloge, dient verdachte, bij gebreke van enig ander bewijs dat hem rechtstreeks koppelt aan deze inbraak, te worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 5 subsidiair ten laste gelegde:
[benadeelde 2] heeft op 22 juni 2017 aangifte gedaan van een woninginbraak en heeft daarover bij de politie als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Tussen 13 juni 2017 en 15 juni 2017 is het badkamerraam in de woning gelegen aan de [adres] te [woonplaats] opengebroken. De gehele woning is doorzocht. Hierbij zijn onder andere een horloge van het merk Omega Speedmaster Professional en een horloge van het merk IWC Schaffhausen weggenomen. De Omega Speedmaster Professional (serienummer: 48353773) had een bruin alligatormotief kalfsleren band. De IWC Schaffhausen had een zwart bandje met witte stiksels aan de randen en drie knopjes aan de rechterzijde.
Verbalisant [verbalisant 10] heeft in zijn proces-verbaal bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Toen ik mij, op 22 juni 2017 in de woning op de [adres] te [woonplaats] bevond, moest ik denken aan een tweetal horloges die door mij in de nacht van 19 juni 2017 op 20 juni 2017 tijdens een aanhouding in beslag zijn genomen. Tijdens deze aanhouding zijn [medeverdachte 2] en [verdachte] aangehouden voor het voorhanden hebben van inbrekerswerktuig. [verdachte] droeg ten tijde van de aanhouding een IWC met zwarte horlogeband en witte stiksels en [medeverdachte 2] had een Omega Speedmaster met een bruin horlogebandje om. Hierop heb ik het serienummer van de Omega laten controleren. Ik hoorde collega’s het volgende nummer opnoemen: 48353773. Ik zag en hoorde dat dit serienummer overeenkwam met het door de aangever opgegeven serienummer van zijn horloge.
Ik heb de recherche gevraagd mij foto’s van het andere horloge te sturen. Ik vroeg aangever of hij het horloge kon omschrijven. Ik hoorde hem zeggen dat het er als volgt uitzag: “Het betreft een IWC horloge dat nep is. Ik kan het horloge als volgt omschrijven: zwart bandje met witte stiksels aan de randen, 3 knopjes aan de rechterzijde, zilveren buitenkant van het klokje, zwarte wijzerplaat en op de zwarte wijzerplaat bevinden zich nog twee witte wijzerplaatjes.” Hierop heb ik de aangever de foto’s van het inbeslaggenomen horloge laten zien. Na het tonen van de gemaakte foto’s van de IWC, gaf de aangever te kennen dat dit zijn horloge betrof.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 5 subsidiair ten laste gelegde:
Verdachte ontkent in de woning aan de [adres] te [woonplaats] te hebben ingebroken. Hij verklaart het horloge te hebben gekocht voor drie tientjes, omdat het horloge defect was. Hij droeg hem daarentegen nog wel, omdat het horloge paste bij zijn outfit. De raadsman heeft vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
Op basis van de controle die direct bij de aangifte van de woninginbraak heeft plaatsgevonden, is de rechtbank van oordeel dat geconcludeerd kan worden dat verdachte, ten tijde van zijn aanhouding in verband met de verdenking van het voorhanden hebben van inbrekerswerktuig, het IWC Schaffhausen horloge droeg dat tussen 13 juni 2017 en 15 juni 2017 is gestolen. De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte het horloge zou hebben gekocht voor drie tientjes. Zijn verklaring wordt op geen enkele wijze geconcretiseerd of verifieerbaar gemaakt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verdachte minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat het horloge van diefstal afkomstig is.
Vrijspraak ten aanzien van het onder 6 primair en 7 primair ten laste gelegde:
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 6 primair en 7 primair ten laste gelegde. Hoewel op basis van het dossier kan worden vastgesteld dat verdachte in het bezit was van weggenomen autosleutels, dient verdachte, bij gebreke van enig ander bewijs dat hem rechtstreeks koppelt aan deze inbraken, te worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 6 subsidiair ten laste gelegde:
[benadeelde 3] heeft op 4 december 2017 aangifte gedaan van een woninginbraak en heeft daarover bij de politie als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Op 4 december 2017 verliet mijn hulp de woning. Ik woon op het [adres] te [woonplaats] . Zij heeft de woning afgesloten. Op diezelfde dag kwam ik terug bij mijn woning. Ik zag dat mijn woning was doorzocht. Ik ontdekte samen met de politie dat de daders het raam van de slaapkamer op de eerste etage aan de achterzijde van de woning open hadden gebroken. Hierbij zijn onder andere twee autosleutels van mijn Fiat 500 en een reserve autosleutel van mijn Mitsubishi weggenomen.
Verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 8] hebben in hun proces-verbaal onderzoek inbeslaggenomen autosleutels onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Op 12 december 2017 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning van verdachte [verdachte] , gelegen aan de [adres] te [woonplaats] . Tijdens deze doorzoeking werden vier autosleutels in beslag genomen. Deze autosleutels werden aangetroffen op de slaapkamer van [verdachte] , in een kledingkast, in de binnenzak van een jas. Op 5 januari 2018 hebben wij onderzoek ingesteld naar de in beslag genomen sleutels:
- Sleutel Fiat, goednummer 2097767;
- Sleutel Fiat, goednummer 2097773;
Wij zagen dat de baard van de Fiat autosleutels gelijk was. Kennelijk is deze sleutel van hetzelfde voertuig.
- Sleutel Mitsubishi, goednummer 2097771.
Gezien de overeenkomst tussen de aangifte van inbraak aan het [adres] te [woonplaats] en de in beslag genomen sleutels, heb ik een telefonische afspraak gemaakt met aangeefster [benadeelde 3] .
Ik gebruikte de sleutel van de in beslag genomen Mitsubishi autosleutel, goednummer 2077771 en zag dat het slot van het portier hiermee ontgrendeld kon worden. Tevens deelde de aangeefster mee dat zij de sleutels (Mitsubishi en Fiat) herkende als de sleutels die zij had opgegeven als weggenomen bij de woninginbraak. De aangeefster deelde ons vervolgens desgevraagd mee dat zij de Fiat heeft laten herstellen bij [autoschadeherstelbedrijf] . In het voertuig is een nieuw contactslot gezet. De aangeefster heeft vervolgens contact opgenomen met het schadeherstelbedrijf [autoschadeherstelbedrijf] om te vragen of zij de oude (weggenomen) autosleutels nog konden herkennen.
Op 5 januari 2018 zijn wij bij het autoschadeherstelbedrijf [autoschadeherstelbedrijf] geweest. Aldaar zijn door de receptiemedewerker twee foto’s gemaakt van de inbeslaggenomen Fiat sleutels. Op 8 januari 2018 kreeg ik een email van het schadeherstelbedrijf dat de sleutelcode overeenkwam met de bestelde sleutel.
Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 7 subsidiair ten laste gelegde:
[benadeelde 4] heeft namens [benadeelde 5] op 15 november 2017 aangifte gedaan van een woninginbraak en heeft daarover bij de politie als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Mijn overbuurman is woonachtig op de [adres] te [woonplaats] . Op 15 november 2017 parkeerde ik mijn auto op de oprit van de [adres] . Ik zag toen aan de voorzijde van de woning het keukenraam op een kier staan. Ik weet dat mijn overbuurman de woning bij het verlaten volledig had afgesloten. Toen ik dichter bij het raam ging kijken, zag ik dat er schade op het kozijn zat. Ik zag bij het keukenraam dat de rechter hendel aan de binnenzijde van de woning was afgebroken. Hierbij is onder andere een Mercedes autosleutel weggenomen.
Verbalisanten [verbalisant 11] en [verbalisant 8] hebben in hun proces-verbaal onderzoek inbeslaggenomen autosleutels onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Op 12 december 2017 werd voor een doorzoeking ter inbeslagneming binnengetreden in de woning van verdachte [verdachte] . Tijdens deze doorzoeking werden vier autosleutels in beslag genomen. Deze autosleutels werden aangetroffen op de slaapkamer van [verdachte] , in een kledingkast, in de binnenzak van een jas. Op 5 januari 2018 hebben wij onderzoek ingesteld naar onder andere de in beslag genomen Mercedes autosleutel, goednummer 2097769.
Gezien de overeenkomst tussen de aangifte van inbraak aan de [adres] te [woonplaats] en de in beslag genomen sleutels, heb ik contact opgenomen met de benadeelde. Ik heb de benadeelde gevraagd om foto’s te sturen van zijn autosleutel om een vergelijking te kunnen maken. De aangever mailde mij vier foto’s. Ik zag dat de baard van de sleutel die de benadeelde stuurde, overeenkwam met de baard van de inbeslaggenomen sleutel.
Verbalisant [verbalisant 11] heeft in zijn proces-verbaal van bevindingen autosleutel Mercedes onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
De benadeelde van de inbraak op de [adres] te [woonplaats] is in het bezit van een Mercedes, type A150, voorzien van kenteken [kenteken] . Het bij dit voertuig behorende chassisnummer is volgens de registratie bij de Rijks Dienst Wegverkeer: [kenteken] . Op 12 januari 2018 ben ik naar Mercedes-Nederland geweest. Aldaar werd de in beslag genomen sleutel ingelezen, zodat zij deze konden identificeren. Ik hoorde dat de medewerker mij desgevraagd zei dat voor het voertuig met het kenteken [kenteken] twee autosleutels waren afgegeven. Op 16 januari 2018 werd door een medewerker van Mercedes-Nederland het, bij de sleutel behorende, voertuig identificatienummer verstrekt, namelijk [kenteken] .
Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 6 subsidiair en 7 subsidiair ten laste gelegde:
Verdachte ontkent in de woningen aan het [adres] te [woonplaats] en de [adres] te [woonplaats] te hebben ingebroken. Hij verklaart dat hij de sleutels heeft gevonden in een plastic tas op straat en dat hij deze tas vervolgens heeft meegenomen. Verdachte was voornemens om de sleutels naar het politiebureau te brengen. Hij had ze in de binnenzak van zijn jas verstopt, omdat zijn moeder er niets van mocht weten. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit vanwege het ontbreken van voldoende wettig en overtuigend bewijs. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
Op basis van de controle die verbalisanten hebben uitgevoerd, is de rechtbank van oordeel dat geconcludeerd kan worden dat de onder verdachte in beslag genomen autosleutels, de weggenomen sleutels betreffen van de inbraken in het [adres] te [woonplaats] en de [adres] te [woonplaats] . De rechtbank acht niet aannemelijk dat verdachte de autosleutels zou hebben gevonden op straat om later bij de politie in te leveren. Nu uit de verklaring van verdachte geen legitieme beweegreden blijkt om de sleutels voorhanden te krijgen, kan het niet anders dan dat verdachte ten tijde van het verkrijgen van de sleutels op zijn minst genomen willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de sleutels van diefstal afkomstig waren.
Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde:
[slachtoffer 4] heeft op 26 mei 2017 aangifte gedaan van een mishandeling en heeft daarover bij de politie als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Ik doe aangifte van mishandeling gepleegd op 21 mei 2017 te Blaricum. […] Ik hoorde dat [verdachte] schreeuwend zei: “Wie heeft [medeverdachte 1] geslagen?” Omdat hij toen zag dat ik een bloedneus had, wist hij kennelijk dat ik met [medeverdachte 1] had gevochten. Hij ging dicht bij mij staan en ik voelde dat ik tegen een boom werd geduwd door [verdachte] , waarbij ik met de linkerzijde van mijn gezicht tegen de stam van de boom schaafde en allerlei bloedende schaafwonden opliep. Ik voelde daar pijn van en kwam te vallen op de grond. Het kan ook zijn dat ik op de grond ben geduwd of geslagen, maar dat weet ik niet zeker meer. Ik lag op de grond en zag dat [verdachte] toen boven op mij kwam zitten en zag en voelde dat ik meerdere harde klappen van [verdachte] op mijn hoofd kreeg. Voornamelijk op de linkerzijde van mijn gezicht en dicht bij mijn slaap. Ik voelde hierbij hevige pijn.
Verbalisant [verbalisant 12] heeft in zijn proces-verbaal bevindingen onder meer het volgende gerelateerd, zakelijk weergegeven:
Vanaf 17 mei 2017 is de communicatie opgenomen van het mobiele nummer [telefoonnummer] . Hierbij is een gesprek opgenomen van 21 mei 2017. In het gesprek wordt [medeverdachte 2] als gebruiker van [telefoonnummer] gebeld door verdachte [verdachte] als gebruiker van [telefoonnummer] .
[medeverdachte 2] : [medeverdachte 2]
[verdachte] : [verdachte]
: Danne, nou ik uu, net gevochten bro.
[medeverdachte 2] : Met wie?
: ik kanker Hollander. De kanker in geslagen. Helemaal to- te- los.
[getuige 1] is op 21 mei 2017 als getuige gehoord door de politie en heeft als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat [verdachte] op dat moment voor [slachtoffer 4] ging staan en zich groot maakte. Gelijk hierna zag ik dat [verdachte] een vuistslag op [slachtoffer 4] zijn hoofd gaf. [verdachte] had van zijn hand een vuist gemaakt en sloeg [slachtoffer 4] hard tegen zijn hoofd. Ik zag dat de klap zo hard ging dat [slachtoffer 4] zijn evenwicht verloor en tegen een boom, achter hem, viel en op de grond belandde. Ik zag dat [slachtoffer 4] met zijn gezicht langs de boom schaafde en hier grote schaafwonden van kreeg aan de rechter kant van zijn gezicht. Ik zag daar toen dat [verdachte] zich boven [slachtoffer 4] boog en zeker vijf, misschien wel meer, vuistslagen gaf op het hoofd van [slachtoffer 4] .
[getuige 2] is op 15 juni 2017 als getuige gehoord door de politie en heeft als volgt verklaard, zakelijk weergegeven:
Ik zag dat [slachtoffer 4] tegen een boom aan kwam met zijn hoofd en bewusteloos neer viel. Hij viel daardoor op de grond. Ik zag dat hij snel daarna weer bij kwam. Ik zag dat [verdachte] zich over [slachtoffer 4] heen boog. Ik zag dat [verdachte] van zijn hand een vuist maakte en [slachtoffer 4] sloeg. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 4] ongeveer tien keer sloeg met zijn vuist.
Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde:
Verdachte ontkent [slachtoffer 4] meermalen in het gezicht te hebben geslagen. De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit nu verdachte slechts een duw heeft gegeven en het letsel is veroorzaakt door de val van aangever die onder invloed was van alcohol. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
De verklaring van verdachte en het verweer van de raadsvrouw vinden hun weerlegging in de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen. Gelet op die bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 8 ten laste gelegde heeft begaan.
Bewijsmiddelen ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
Op basis van de stukken, waaronder het rapport betreffende de verdenking van artikel 140 Wetboek van Strafrecht van 18 januari 2018 en de hiervoor genoemde bewijsmiddelen voor de andere bewezenverklaarde feiten, leidt de rechtbank het (voor zover niet eerder uiteengezet) volgende af.
Met betrekking tot diefstallen met geweld:
[adres] (overval woning [adres] te [woonplaats] )
In het dossier bevindt zich het deelonderzoek genaamd [adres] dat betrekking heeft op het onderzoek naar de overval op de woning van [benadeelde 6] op 09 december 2016. In het kader van dat onderzoek zijn de volgende verklaringen afgelegd. [getuige 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] erg intimiderend op hem over kwam en dat het initiatief om de overval te gaan plegen vanuit [medeverdachte 2] kwam.[medeverdachte 2] was de leider, gaf de opdrachten en heeft het plan gemaakt.Verder waren van te voren afspraken gemaakt over de verdeling van de buit.[getuige 4] verklaart dat hij door de mededader, wiens naam hij niet wil noemen, is benaderd en is overgehaald om mee te doen aan de overval. De mededader heeft de route bedacht, hoe ze weg zouden gaan en hij had een mes, een taser voor als het mis ging en een soort pas meegenomen om in de woning te komen.
Overval woning [slachtoffer 5]
Uit het dossier blijkt verder dat [getuige 5] op 7 april 2017 tegenover de politie heeft verklaard dat hij door [medeverdachte 2] is benaderd om zijn vriend [slachtoffer 5] te lokken, zodat [medeverdachte 2] en zijn vrienden de sleutels uit de zak van [slachtoffer 5] konden pakken. Met die sleutels zou [medeverdachte 2] dan de woning kunnen betreden. [medeverdachte 2] heeft ook gezegd dat als ze de woning ingaan, zij een wapen bij zich hebben.Uit een tapgesprek tussen medeverdachte [medeverdachte 2] en verdachte van 29 juni 2017 blijkt dat zij het hebben over de ‘stuk gemaakte’ overval en dat ze buit hadden gehad indien er niets was verteld. Als reactie daarop praten ze over dat ze ‘iets schriks’ voor [getuige 5] gaan bedenken nu hij het allemaal heeft verpest.
14Patrijs (overval woning [adres] te [woonplaats] )
In aanvulling op de reeds aangehaalde bewijsmiddelen blijkt uit de verklaring van [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 2] hem heeft benaderd voor de overval en dat [medeverdachte 2] hem verschillende opdrachten heeft gegeven, waaronder het onder controle houden van [slachtoffer 1] . [medeverdachte 2] heeft de lijnen uitgezet voor de overval en heeft de mensen geregeld die de woning in zouden gaan.Voorts blijkt uit een telefoongesprek tussen [medeverdachte 2] en verdachte van 3 juli 2017 dat zij [medeverdachte 1] een beetje geld gaan geven nu zij niet hadden verwacht dat hij zijn mond zou houden.Ook blijkt uit een OVC-gesprek dat [medeverdachte 2] en verdachte het hebben over een in de Gooi en Eemlander gepubliceerd stuk betreffende de overvallen in Blaricum en in [woonplaats] . Tijdens dit gesprek wordt besproken dat ze in de krant zijn genoemd en dat niemand anders het ooit zo heeft gedaan als zij.
Voorbereidingshandelingen overval (4 tot en met 6 mei 2017)
Voorts blijkt uit het dossier dat [medeverdachte 2] op 4 en 5 mei 2017 opnieuw bezig is het met regelen van een scooter. Hij heeft hiervoor onder andere contact met [D] die van [medeverdachte 2] de opdracht krijgt op diezelfde avond een scooter te regelen.Op 6 mei 2017 hebben [medeverdachte 2] en verdachte contact over het regelen van dingen, waarbij door verdachte tie-wraps worden benoemd.Blijkens tapgesprekken tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 6 mei 2017 heeft [medeverdachte 2] een telefoon nodig.
Overval op een kamper
Uit een tapgesprek tussen [medeverdachte 2] en verdachte blijkt dat verdachte tegen [medeverdachte 2] zegt dat hij wat gozertjes weet die ze kunnen rippen. [medeverdachte 2] vraagt daarop wat ze dan hebben. Verdachte zegt: “Een paar Rollie van een ton om, gek!”
Met betrekking tot woninginbraken:
Modus operandi
Voorverkenning
Uit de OVC-gesprekken leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] en verdachte veelvuldig praten en het hebben over voorverkenningen doen, bestaande uit het vastleggen van adressen, het plaatsen van takjes en blaadjesen het al dan niet treffen van een voorbereiding.
Tijdstip van inbreken
Uit de OVC-gesprekken leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] en verdachte praten over het ‘ideale’ tijdstip om in te breken.
Bewoners niet thuis
Uit de OVC-gesprekken leidt de rechtbank af dat de modus operandi eruit bestaat dat [medeverdachte 2] en verdachte de voorkeur hebben om in te breken wanneer de bewoners niet thuis zijn. Zij bespreken veelvuldig dat ze niet naar ‘osso’ willen waar mensen thuis zijn.
Inbrekerswerktuig
Uit de OVC-gesprekken leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] en verdachte praten over middelen voor inbraken, zoals een vervoermiddel, koevoet, schroevendraaier, gezicht- bedekkende kleding, handschoenen en sokken.Voorts wordt besproken dat ze niet met die spullen gaan rijden en dat ze die ergens in de bosjes verstoppen.Ook is in het dossier opgenomen dat [medeverdachte 2] en verdachte op 19 juni 2017 worden staande gehouden en dat in de auto schroevendraaiers, donkere bovenkleding, handschoenen en een klauwhamer worden aangetroffen.Ook op 9 augustus 2017 zijn [medeverdachte 2] en verdachte aangehouden nadat ze een poging hadden ondernomen om aan de politie te ontkomen. Wederom werd in de auto inbrekerswerktuig gevonden, bestaande uit een koevoet, schroevendraaier, handschoenen en een losse zwarte sok.
Werkgebied
Uit de OVC-gesprekken leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 2] met een onbekend persoon praat over hun werkgebied, bestaande uit Blaricum en Huizen. Op de vraag waarom ze geen osso’s richting Naarden gaan pakken, reageren ze als volgt: Verdachte: “Dat is niet ons gebied broer.” [medeverdachte 2] : “Blaricum, Huizen is van ons.”
Inbraak [adres] te [woonplaats]
Zie hiervoor de reeds aangehaalde bewijsmiddelen onder 6 primair .
Bewijsoverwegingen ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde:
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van de ten laste gelegde criminele organisatie, nu primair geen sprake is van een gestructureerd en duurzaam samenwerkingsverband. Van enige structuur noch van een duurzame samenwerking is gebleken. Subsidiair bepleit de raadsvrouw dat verdachte geen deel heeft genomen aan de criminele organisatie. De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.
Van deelneming aan een organisatie als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht kan slechts dan sprake zijn, indien de betrokkene behoort tot het samenwerkingsverband en een aandeel heeft in, dan wel ondersteunt met, gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het in die artikelen bedoelde oogmerk.
Organisatie
Volgens vaste rechtspraak moet onder een organisatie als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht worden verstaan: een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en tenminste een ander persoon.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt – zoals reeds hiervoor in de bewijsmiddelen uiteen is gezet – dat verdachte met zijn medeverdachte sprak over aan overvallen en inbraak gerelateerde zaken. Hierbij werd onder meer gesproken over het plannen van activiteiten en het regelen van middelen ten behoeve van overvallen en inbraken, voorverkenningen en ‘hun’ werkgebied. Bovendien is het niet gebleven bij het bespreken. Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan een overval in een woning en een inbraak. Voorts is hij in de ten laste gelegde periode meermalen staande gehouden en zijn daarbij diverse inbrekerswerktuigen in de auto aangetroffen. Op grond van het voornoemde, de frequentie en het aantal van de in de periode van omstreeks 1 december 2016 tot en met 1 januari 2018 opgenomen gesprekken tussen verdachte en medeverdachten met als gesprekstof het plannen van overvallen en inbraken, het regelen van middelen ten behoeve van de overvallen en inbraken en het uitvoeren daarvan, mede bezien in het licht van de hiervoor ten aanzien van de verdachte en de – eveneens bij vonnis van heden – ten aanzien van zijn medeverdachte bewezen verklaarde feiten, duidt de rechtbank de samenwerking tussen de groepsleden als duurzaam. Voorts vallen de voornoemde activiteiten van verdachte en zijn medeverdachte niet meer te kwalificeren als een aantal incidentele, in vereniging gepleegde overvallen en inbraken. Er was daarentegen sprake van een goed georganiseerd, crimineel samenwerkingsverband dat structureel op soortgelijke wijze van tevoren doordachte plannen heeft uitgevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee sprake van een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140 Wetboek van Strafrecht.
Oogmerk
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten woningovervallen en inbraken. Ook volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen dat het daarbij niet om individuele acties van leden van de organisatie ging, maar dat op dit alles het oogmerk van de organisatie was gericht. Hoewel verdachte en zijn mededader zich ook schuldig hebben gemaakt aan heling, volgt uit de bewijsmiddelen onvoldoende dat het oogmerk ook daarop was gericht. Daarvan zal verdachte worden vrijgesproken.
Deelneming
Volgens vaste rechtspraak is van deelneming sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Verdachte dient in dat verband in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven; in zoverre is voorwaardelijk opzet niet voldoende. Niet is vereist dat verdachte enige vorm van opzet heeft gehad op de door de organisatie beoogde concrete misdrijven, aan enig concreet misdrijf heeft deelgenomen of van enig concreet misdrijf wetenschap heeft gehad. Ook is niet nodig dat de verdachte moet hebben samengewerkt of bekend moet zijn geweest met alle personen die deel uitmaken van de organisatie. Elke bijdrage aan een organisatie kan strafbaar zijn. Een dergelijke bijdrage kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar ook uit het verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet strafbaar zijn, zolang niet van bovenbedoeld aandeel of ondersteuning kan worden gesproken.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit voornoemde bewijsmiddelen en de bewezenverklaring van de overige feiten betreffende verdachte dat verdachte behoorde tot de organisatie en dat hij meerdere deelnemingshandelingen heeft verricht die hebben bijgedragen aan het verwezenlijken van het oogmerk van de organisatie.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte in of omstreeks de periode van 1 december 2016 tot en met 1 januari 2018 te Huizen en Blaricum en Laren heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit een samenwerkingsverband met [medeverdachte 2] en anderen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten (pogingen tot en voorbereidingshandelingen ten behoeve van) diefstallen met geweld en afpersingen alsmede (pogingen tot en voorbereidingshandelingen ten behoeve van) diefstallen (met braak) uit woningen.