De zaak betreft een vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel aan de veroordeelde, die reeds een onvoorwaardelijke ISD-maatregel heeft ondergaan. De voorwaardelijke ISD-maatregel was opgelegd met een proeftijd van twee jaar en bijzondere voorwaarden, waaronder behandeling en onthouding van verdovende middelen.
De veroordeelde heeft de voorwaarden van de voorwaardelijke maatregel overtreden, waarna de rechtbank op 31 december 2015 een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar oplegde, die volledig is uitgevoerd. De reclassering rapporteerde dat de behandeldoelen niet zijn behaald en dat de veroordeelde onvoldoende meewerkte aan het nazorgtraject.
De rechtbank overweegt dat de ISD-maatregel een persoonsgerichte aanpak beoogt en dat de onvoorwaardelijke maatregel de voorwaardelijke maatregel als het ware heeft geabsorbeerd. Ondanks het feit dat het secundaire doel van recidivebeëindiging niet is bereikt, acht de rechtbank het niet opportuun om de voorwaardelijke maatregel alsnog ten uitvoer te leggen. De vordering wordt daarom afgewezen.