Op grond van de overgelegde stukken en de door haar gehouden verhoren en verkregen inlichtingen is de rechtbank tot de overtuiging gekomen dat betrokkene gestoord is in zijn geestvermogens. Bij betrokkene is sprake van schizofrenie in combinatie met een persoonlijkheidsstoornis. In de samenvatting van de stand van zaken van uitvoering van het behandelplan van 6 augustus 2018 is vermeld dat bij betrokkene wordt gesproken over ernstige tekorten op het gebied van zelfzorg en sociaal functioneren. Het behandelplan van 6 augustus 2018 vermeldt onder meer dat betrokkene 24 uurszorg nodig heeft omdat hij niet voor zichzelf kan zorgen.
Betrokkene verblijft al sinds 2011 in de instelling en in zijn situatie lijkt weinig verandering te komen, waardoor zijn verblijf een min of meer permanent karakter heeft. Betrokkene heeft op zich geen enkele moeite met het verblijf binnen de instelling. In de stand van uitvoering van het behandelplan van 6 augustus 2018 wordt hij beschreven als een matig verzorgde angstige man die over het algemeen vriendelijk in contact is, het naar zijn zin heeft op de afdeling en niet weg wil, maar tegelijkertijd ook wat regelverbrekend en rebels gedrag laat zien. Hij is erg onoplettend en onverschillig.
Betrokkene wil zich niet conformeren aan de binnen de instelling geldende regels met betrekking tot het roken. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dan ook, dat de rechterlijke machtiging enkel en alleen wordt verzocht om op betrokkene de zogenaamde middelen en maatregelen toe te passen, teneinde zeker te stellen dat hij zich houdt aan de regel dat hij niet op zijn kamer mag roken.
Een rechterlijke machtiging is een zware maatregel die een ernstige inbreuk maakt op de persoonlijke vrijheid. Daar staat tegenover dat de instelling verantwoordelijk is voor de veiligheid van niet alleen betrokkene zelf, maar ook van al diegenen, die zich op enig moment binnen de instelling bevinden. Gebleken is dat de discussie tussen de instelling en betrokkene over diens rookgedrag al jaren bestaat, dat er enkele jaren geleden al een keer brand is ontstaan in de prullenbak op betrokkenes kamer, dat betrokkene zich niet bewust is van het brandgevaar dat hij mogelijk veroorzaakt, dan wel niet genegen is daarmee rekening te houden. Betrokkene wil zich niet conformeren aan de regel dat hij niet op zijn kamer mag roken en heeft er meermalen blijk van gegeven deze regel met voeten te treden. Het enkele verzoek om zijn sigaret te doven als hij in zijn kamer rokende werd aangetroffen bleek onvoldoende, waardoor de instelling er uiteindelijk in 2015 toe overging om – als hij weer op zijn kamer rookte - betrokkenes rookwaar voor drie uur in te nemen en hem zijn kamersleutel tijdelijk in te laten leveren, omdat hij dan niet naar zijn kamer mocht om alsnog nieuwe rookwaar te pakken.
Dit leek te werken, maar na verloop van tijd bleek dat hij door middel van een reservesleutel deze regel had weten te ontduiken. Toen de instelling hier uiteindelijk achter kwam en bij een nieuwe confrontatie met betrokkene naar aanleiding van roken op zijn kamer wederom stuitte op onwil van betrokkene om zijn sleutel in te leveren is besloten om over te gaan tot het aanvragen van een rechterlijke machtiging.
Alles overziende acht de rechtbank aannemelijk dat de instelling er alles aan heeft gedaan om betrokkene op andere gedachten, althans tot ander gedrag, te brengen.
De rechtbank heeft bij dit oordeel mede betrokken de omstandigheid dat de beperking van de vrijheid die de instelling met de rechterlijke machtiging beoogt te realiseren tamelijk gering is en er ruimschoots voorzien is in een alternatief: betrokkene kan niet alleen buiten de instelling roken, maar ook in de speciale rookkamer en in zogenaamde rookcellen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het verlenen van een voorlopige machtiging in dit geval gerechtvaardigd is.